Uli Sigg in zijn huis in Mauensee.

Still uit de documentaire The Chinese Lives of Uli Sigg (2016)

Iconische Chinese hedendaagse kunst in een Zwitsers sprookjespaleis

Uli Sigg Het Noordbrabants Museum toont vanaf zaterdag een deel van de wereldberoemde collectie Chinese kunst van Uli Sigg. Een gesprek met de verzamelaar in zijn kasteel in Zwitserland.

Als een sprookjeskasteel doemt Schloss Mauensee op uit de optrekkende mist. Het witte landhuis met rood-gele luiken staat fier midden op een eiland in een klein meer, met rondom uitzicht op besneeuwde bergtoppen. Hier, op zo’n 25 kilometer ten noordwesten van Luzern, resideert de Zwitserse kunstverzamelaar Uli Sigg. Het eiland, het meer en de oevers eromheen – ze zijn allemaal zijn eigendom.

Schloss Mauensee Foto Farhad Vladi

De kasteelheer verwelkomt me aan het eind van een lange stenen brug die van de wal naar het eiland leidt – een kleine, atletische man met een kaal hoofd en priemende rode ogen die wijzen op chronisch slaapgebrek. Het huis dateert uit 1600, vertelt hij. Het is gebouwd op de restanten van een Habsburgs kasteel uit 1100 waarvan alleen de toegangspoort nog overeind staat. „Maar het eiland bestaat al sinds mensenheugenis”, zegt Sigg. „In het stenen tijdperk was het al een cultplaats.”

Binnen zijn de tientallen kamers gevuld met Chinese hedendaagse kunst. Iconische werken van kunstenaars als Geng Jianyi, Fang Lijun en Zhang Xiaogang, die op veilingen inmiddels miljoenen euro’s opbrengen, sieren de wanden van het trappenhuis, de keuken en zelfs de fitnessruimte. Op een van de wc’s verhaalt een door Fu Hong geschilderd stripverhaal uit 2005 over ‘One Day in the Life of Uli Sigg’. Daarop zien we de Zwitser de handen schudden van talloze hooggeplaatste Chinezen, onder wie de toenmalige president Hu Jintao.

Sigg (Luzern, 1946) werkte als zakenman voor de Zwitserse liftenfabrikant Schindler en was eind jaren zeventig de eerste westerling die een handelsverdrag sloot met de Chinese overheid. Tussen 1995 en 1998 was hij de Zwitserse ambassadeur voor China, Noord-Korea en Mongolië. Om het land beter te leren kennen, zocht hij contact met kunstenaars. Hij schat dat hij in veertig jaar tijd zo’n duizend ateliers heeft bezocht. Inmiddels telt zijn verzameling ruim 2.400 werken van zo’n 400 kunstenaars en is daarmee de grootste collectie Chinese kunst ter wereld. Een deel daarvan – ruim vijftig topstukken uit de periode 2004 tot 2017, laat Sigg vanaf zaterdag zien op de tentoonstelling A Chinese Journey in het Noordbrabants Museum.

Feng Mengbo, 2007WCSXL01 (Wrong Code Shansui XL n.1), 2007 M+ Sigg Collectie

Echte baan

„Eigenlijk wilde ik journalist worden”, vertelt Sigg tijdens de lunch, die aan een lange tafel geserveerd wordt door Aziatische koks. Hij had rechten gestudeerd in Zürich, was succesvol wedstrijdroeier geweest en schreef in de jaren zeventig voor diverse Zwitserse kranten economische verhalen over de oliecrisis. „Maar mijn familie wilde dat ik een echte baan ging zoeken. Zo kwam ik bij Schindler terecht. Liften bleken interessanter dan ik dacht. Ieder land heeft zijn eigen liftcultuur. In Amerika moeten liften razendsnel en efficiënt zijn, in Japan juist zo geruisloos mogelijk.”

Toen Sigg in 1979 in China aankwam, was de Culturele Revolutie net voorbij. De academies gingen weer open en langzaam druppelden westerse boeken en muziek het land binnen. „Het jaar 1979 markeert het begin van de autonome Chinese kunst”, aldus Sigg. „Voor die tijd mocht er alleen sociaal-realistische kunst geproduceerd worden in dienst van de overheid – voorstellingen vol enthousiaste vrouwen en kinderen met blozende wangen.”

Zhao Bandi, China Lake C., 2015, 210 x 280 centimeter, Olieverf op doek Foto Sigg Collectie

Omdat niemand in die tijd op een systematische manier Chinese kunst verzamelde, werd dat Siggs missie. „Ik begon met wat eigenlijk de taak is van een nationaal museum: een encyclopedische verzameling opbouwen met alle media, dus ook fotografie en performances. Er waren destijds wel incidentele verzamelaars en galeriehouders, zoals Rob Malasch van galerie Serieuze Zaken, die goede werken kocht en die naar Nederland bracht. Maar dat waren sporadische aankopen. Ik keek als een onderzoeker naar de Chinese maatschappij. Mijn doel was een allesomvattend document samen te stellen, dat ik ooit weer aan China terug zou kunnen schenken.”

Als ambassadeur gingen vanaf 1995 alle deuren voor hem open. Sigg bezocht academies, regelde visa voor kunstenaars en nodigde internationale galeriehouders en topcuratoren als Harald Szeemann, Chris Dercon en Hans Ulrich Obrist uit om kennis te maken met de Chinese kunst. De Zwitserse ambassade was „een salon”, herinnert Obrist zich in de documentaire The Chinese lives of Uli Sigg uit 2016. „De ambassade was het knooppunt van alles, een soort museum voor hedendaagse kunst – het eerste in China.” Siggs inspanningen hadden een grote impact. In 1999 toonde Szeemann werk van twintig Chinese kunstenaars op de Biënnale van Venetië. Voor Ai Weiwei betekende die tentoonstelling zijn grote doorbraak. Ai noemt Sigg sindsdien zijn „maker”.

Ai Weiwei is misschien wel de best vertegenwoordigde kunstenaar in Siggs collectie. In en om het huis kom je diens werk overal tegen. Op het gazon prijkt zijn installatie Junkyard, gemaakt van zestig verschillende marmeren deuren. Ai ontwierp Siggs bureau en boekenkasten, en maakte een levensgroot wassen beeld van de verzamelaar (Newspaper Reader, 2004). In een hoek van de tuinzaal staat de installatie Whitewash (1993-2000), bestaand uit zeven eeuwenoude vazen uit de Neolithische tijd die Ai met industriële verf beschilderde. „Ik heb er nog 125, maar die pasten er niet meer bij”, lacht de verzamelaar. „In de jaren negentig waren die vazen heel goedkoop. Vanwege de bouw van alle nieuwe snelwegen en luchthavens kwamen er duizenden uit de grond.” Het is Siggs favoriete werk. „Omdat ze zo mooi de clash verbeelden tussen de Chinese traditie en de westerse industriële cultuur.”

Sigg bezocht Ai voor het eerst in 1995, toen de kunstenaar nog werkte vanuit het huis van zijn moeder. „We vonden elkaar meteen aardig. Ik kocht een van zijn Coca-Cola-vazen. Dat was een urn van bijna tweeduizend jaar oud uit de Han-dynastie, waar Ai het logo van Coca-Cola op had geschilderd, als symbool van het begin van de consumptiemaatschappij in China. Inmiddels is de opdruk bijna vergaan. Ik moet nu gaan nadenken over hoe ik dat werk ga conserveren. Laat ik Ai het overschilderen? Die kunstwerken werden destijds gemaakt voor tijdelijke shows, soms duurden die maar een paar uur. Niemand dacht aan houdbaarheid.”

Een zuil van menselijk vet

In de veertig jaar dat Sigg nu in China komt, heeft de verzamelaar vele stromingen voorbij zien komen, van Chinese variaties op pop-art tot shockerende performances met dieren of foetussen. „De exposities waren soms heftig. Ik herinner me een show waarbij het lijk van een vrouw van een jaar of veertig werd tentoongesteld, op ijsblokken waarin rozen waren verwerkt.” Op diezelfde tentoonstelling kocht Sigg de sculptuur Civilization Pillar (2005) van Sun Yuan en Peng Yu: een zuil gemaakt van menselijk vet dat was weggezogen bij liposucties. Hij grinnikt: „Ook weer zo’n werk dat lastig te conserveren is.”

Zhao Bandi, Portrait Uli Sigg, 2010. Sigg Collectie

De jaren tachtig omschrijft Sigg als een periode van relatieve vrijheid. Maar na de studentenrevolutie van 1989 op het Tiananmenplein werd de censuur weer erger. „Opeens bevroor het klimaat en waren we tien jaar terug in de tijd. Daarna brak een periode aan die je de ijstijd zou kunnen noemen. Kunstenaars waren gedwongen ondergronds te leven. Met pagers werd ik opgepiept als iemand een expositie organiseerde in zijn woonkamer. Soms was die dan alweer door de politie gesloten als ik aankwam. Er waren nog geen galeries of musea, geen tijdschriften. Er was nog geen lokale kunstmarkt. Ik wás de markt.”

Eind jaren negentig zag Sigg het kunstklimaat langzaam weer wat liberaler worden. Kunstenaars konden zich meer vrijheden permitteren en de markt kon zich ontwikkelen. Met de economische groei werd ook het zelfvertrouwen van de Chinese kunstenaars groter. De schaal van de kunstwerken nam toe, er ontstonden ateliers waar kunstenaars tientallen assistenten in dienst hadden. „Na 2010 begonnen ook Chinese verzamelaars massaal schilderijen te kopen, met krankzinnige prijsontwikkelingen als gevolg.” Maar de laatste paar jaar, merkt Sigg, is de censuur weer strenger dan ooit.

Ziet hij dat terug in de kunstwerken die gemaakt worden? Zijn die minder kritisch? „Jazeker. Als kunstenaar in een totalitaire staat ben je natuurlijk gewend om een taal te vinden die je laat overleven. Er zijn vele strategieën. Je kunt op een hoog intellectueel niveau opereren, zodat alleen de goed geïnformeerden jouw boodschap kunnen begrijpen. Of je verhult de kritiek als humor of ironie. En natuurlijk zijn er ook kunstenaars die toegeven aan de censuur en alleen werk maken dat volgens het regime door de beugel kan. Ik noem dat werken met een schaar in je hoofd.

„Tot nu toe is de kunstproductie vrij van censuur. Niemand belemmert je om in je eigen studio kritisch werk te maken, alleen de presentatie ervan ligt aan banden. De problemen beginnen op het moment dat zo’n kunstwerk de publieke ruimte in gaat. Meestal sluit de politie dan de galerie en wordt de eigenaar gedwongen de werken weg te halen. Het hangt een beetje af van de relatie die de galerie heeft met de regering, en het verschilt ook erg per stad.”

Voor Sigg was de huidige politieke situatie een reden om zijn collectie niet aan China te schenken, maar aan het nieuwe museum M+ in Hongkong, dat in 2019 opengaat. Het is een megaschenking die met 1.450 werken tot de grootste in de geschiedenis behoort en die volgens conservatieve schattingen van veilinghuis Sotheby’s zo’n 155 miljoen euro waard is. Trots wijst Sigg op de kaart van Hongkong de plek aan waar volgend jaar zijn collectie te zien zal zijn. „Nu kun je er alleen shoppen, straks is er ook kunst. Hongkong wordt jaarlijks door zo’n 40 miljoen Chinezen van het vasteland bezocht. Zij kunnen er straks hun eigen culturele geschiedenis gaan zien.”

Zijn oorspronkelijke plan was om de collectie onder te brengen in Beijing of Shanghai, vertelt Sigg. „Ik heb ook onderhandelingen gevoerd in die steden. Censuur speelde daarin een grote rol. Natuurlijk kan ik de censuur niet wegnemen, ik kan de volksrepubliek China niet veranderen. Maar ik wilde de regels van de censuur weten, zodat ik me daaraan zou kunnen aanpassen. Maar ze konden mij niet zeggen welke werken ik wel en welke werken ik niet kon tonen. Het was mij te riskant. Je kunt iets weggeven wat mensen nu geweldig vinden, maar over twintig jaar denkt men er weer anders over. De kans bestaat dat de officials dan zeggen: hier wordt Mao op een respectloze manier afgebeeld.”

In Siggs depot op het vasteland, een paar kilometer van zijn kasteel, zijn medewerkers van het M+ Museum nu al maanden bezig met het inventariseren van de schenking. In houten kisten staan de topstukken gereed voor vertrek naar Hongkong. Sigg zelf gaat intussen gewoon door met het verzamelen van Chinese kunst. Hij focust nu op de jongste generatie. „Ik kan me de prijzen op de huidige kunstmarkt niet meer veroorloven. In de toekomst wil ik vaker samen met de kunstenaars werk produceren. Door opdrachten te geven, probeer ik de markt te omzeilen. Maar ik vind het ook leuk om meer betrokken te zijn bij het creatieve proces. Het geeft je een andere relatie met het kunstwerk dan wanneer je het uit de schappen koopt.”

A Chinese Journey. The Sigg Collection. 17 maart t/m 8 juli in het Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41, Den Bosch. Inl: hnbm.nl
    • Sandra Smallenburg