Opinie

    • Tom-Jan Meeus

Groeiende irritatie en vermoeidheid met alle politieke professionaliteit

Deze week: wat er mankeert aan nationale campagnes voor de lokale verkiezingen.

Ofwel: de groeiende vermoeidheid met politieke professionaliteit.

Zul je altijd zien: juist nu het kabinet het raadgevend referendum aan het afschaffen is, wijst alles erop dat het laatste raadgevende referendum in het voordeel van het kabinet uitpakt.

Recente peilingen van drie bureaus laten zien dat een ruime meerderheid van vermoedelijke stemmers de nieuwe Inlichtingenwet steunt – het referendum is woensdag gelijktijdig met de gemeenteraadsverkiezingen.

En als die peilingen accuraat zijn, is dat in één opzicht een hoogst opmerkelijk resultaat.

Naar ik begrijp was het een bewuste keuze van het kabinet dat de twee hoofden van de inlichtingendiensten, Rob Bertholee (AIVD) en Onno Eichelsheim (MIVD), het gezicht van de ja-campagne werden.

En het boeiende is: nu Rutte III zijn zaak laat bepleiten door ambtelijke deskundigen in plaats van verantwoordelijke politici – de bazen van de geheime diensten waren nog nooit zoveel op televisie – blijkt dit voor de verantwoordelijke politici uitstekend uit te pakken.

Schitterende paradox. We politiseren bijna alles, zodanig dat de fragmentatie van het partijpolitieke landschap komende woensdag verder greep krijgt op de gemeenteraden.

Maar als de overheid burgers wil overtuigen, kan ze blijkbaar beter ambtenaren zonder politiek profiel inzetten: liever ambachtelijke deskundigheid dan gepolitiseerde betrokkenheid.

Dus hier klopt iets niet.

Het is een van de dilemma’s van moderne politiek. Er is duidelijk een hoge publieke waardering voor professionaliteit.

Je ziet het aan iemand als Sigrid Kaag, de minister van Hulp en Handel (D66) die bij elk publieksoptreden laat zien dat zij de diplomatie al decennia in haar vingers heeft.

Je hebt het ook met Rutte. De VVD voert campagne voor de gemeenteraden door met hem het verschil tussen praten en presteren te accentueren: ook mensen die geen of weinig waardering voor de opvattingen van de premier hebben, zien in hem vaak iemand die zijn vak beheerst.

En het is altijd riskant nationale betekenis in lokale verkiezingen te lezen, maar mede door Rutte zie ik wel een paar cliffhangers.

In de uitslag van vier jaar geleden – komende woensdag de enige faire vergelijking – was het CDA de grootste landelijke partij (14,5 procent), gevolgd door de VVD (12 procent).

Maar als je de peilingen van toen naast de huidige legt, blijkt dat de VVD er beter voorstaat dan destijds, terwijl het CDA er in die peilingen zwakker voorstaat.

Door twee onzekere factoren (steun voor lokale partijen en opkomst) is niet te voorzien hoezeer deze trends de uitslag beïnvloeden, maar er lijkt me een serieuze kans dat de VVD woensdag het CDA onttroont als grootste landelijke partij in de gemeenteraden.

Je hoort hier nog geen VVD’er over, en ook dat is lang niet dom. Een professionele campagne is vooral verwachtingenmanagement: wie de verwachtingen verslaat, wordt op verkiezingsavond algauw gezien als grote winnaar.

Wat dit betreft positioneert ook GroenLinks zich handig. Die partij had vier jaar terug een zwak resultaat – vijf procent van de lokale stemmen – en zou zich gezien de peilingen kunnen verdubbelen.

In dat geval kan Klaver zijn partij als grootste winnaar van de avond presenteren.

Rutte en Klaver hebben bovendien keepersgeluk. Zij sluiten komende dinsdag het NOS-slotdebat af, één tegen één, en gaan daarna door naar Nieuwsuur, waar ze samen met Buma en Marijnissen debatteren over de Inlichtingenwet.

Nu is Pechtold in veel opzichten de koning van de geprofessionaliseerde campagne. Zijn partij profiteert er al jaren volop van: onder hem won D66 na 2006 bij alle verkiezingen. Vier jaar terug was hij zelfs de grote winnaar bij de lokale stembusstrijd.

En nu hij meeregeert wil hij niet de Diederik Samsom van Rutte III worden. Dus voert hij een assertieve en soms nerveuze campagne.

Eerst door het conflict te zoeken met Forum voor Democratie, dat Baudet niet uit de weg ging, en daarna door de strijd met GroenLinks aan te gaan: willen de grote steden D66 of GroenLinks als grootste?

Professioneel zit het, zoals altijd bij Pechtold, uitstekend in elkaar. In het uitdijende veld van partijen brengt hij het campagneverhaal telkens terug tot een gevecht van één tegen één, waardoor D66, anders dan de meeste partijen, vaak beeldbepalend is.

Niet slecht voor de vierde partij van het land, en ik vermoed ook dat hij daarmee zijn onvermijdelijke verlies – kiezers straffen meeregeren af – weet te beperken.

En dan: zijn tegenspelers zijn ook niet vies van een trucje. Baudet bestreed de eerste aanval van D66 met een loze aangifte. En bij het lijsttrekkersdebat van Het Parool zagen de andere partijleiders verbluft dat Baudet vóór het debat snel de podiumplaats van Kuzu inpikte: Kuzu stond daardoor aan de rand van het podium, Baudet in het midden.

Ook Klaver weet van wanten. Hij trok vorig weekeinde de aandacht met een ‘Spoedwet’ tegen de – toen nog – salarisverhoging van de ING-topman. Ik zou zeggen: zoek ‘spoedwet’ eens op in Van Dale. Inderdaad: bestaat niet.

Stuk voor stuk uitingen van opportunisme die worden verpakt als oprechtheid. En hoewel ze individuele partijen op individuele momenten helpen, voeden ze gezamenlijk de weerzin tegen de geprofessionaliseerde politiek.

De professionele slogan, het geprofessionaliseerde conflict, het professionele beloven: zij vormen de voedingsbodem voor het aanzien van gedepolitiseerde deskundigen en, verontrustender, politieke amateurs.

Want afgaande op prognoses zullen komende woensdag meer mensen op een lokale partij stemmen dan de vorige keer, toen al bijna 28 procent dat deed.

Het verschijnsel overlapt met de ontwikkeling waarbij het aantal hoogopgeleiden groeit en de kloof met lageropgeleiden toeneemt, zodat de gewone man de afstand met ‘de elite’ koestert: wij hebben het hier voor het zeggen, eikels.

Hoe groot de vermoeidheid met geprofessionaliseerde politiek is, blijkt uit de relatieve ongevoeligheid bij kiezers voor amateurisme, lokaal en nationaal.

FvD oogde aanvankelijk redelijk stabiel, maar intussen zijn talrijke interne problemen gebleken: de gepeilde kiezer reageert amper.

Ook Wilders had jaren geen nadeel van zijn vele interne sores. Vorig jaar, bij de ronkende presentatie in De Telegraaf van zijn nummers twee en drie voor de Kamer, noemde hij zijn partij „een platte organisatie” waar „talenten snel boven komen”. Dat hebben we gezien. Hij zou in zestig gemeenten meedoen, dat werden er dertig, en toen nog bleken, volgens een PVV’er, „debielen” op lokale lijsten te staan. Hij daalt in de peilingen maar zal komende woensdag toch winst boeken, omdat hij in meer gemeenten meedoet.

Zo is de tweedeling tussen nationale professionals en (lokale) amateurs compleet – en zonder gevolgen blijft dat niet.

Onno Eichelsheim, directeur van de MIVD, vertelt maandag in een Human-documentaire dat polariserende en populistische partijen het type „scheuring” in de samenleving veroorzaken waar Rusland met zijn beïnvloedingscampagnes op uit is.

En nu een MIVD-directeur blijkbaar meer gezag bij het publiek heeft dan de gemiddelde politicus, laat dat meteen zien wat hier de oplossing is: minder professionalisme in oudere partijen – omdat we anders, zoals in de VS, uiteindelijk het hele speelveld in handen van amateurs geven.

    • Tom-Jan Meeus