Opinie

Gestolen waar gedijt niet, zoek faire oplossingen voor roofkunst

Roofkunst

Koloniale roofkunst krijgt nog altijd minder aandacht dan naziroofkunst, stelt vast. Er is ook veel onduidelijk. Is de diamant van de sultan, het volk of de regering? „Het is de hoogste tijd die lastige vragen te beantwoorden.”

‘Warriors and Attendants’, 16-17e eeuw, Hof van Benin, Nigeria. Te zien in Metropolitan Museum of Art, New York.

Commotie in de museumwereld en de uitspraken van de Franse president Macron zijn de reden. Hij zei onlangs Afrikaanse roofkunst „tijdelijk of permanent” te willen teruggeven. (‘Macron doorbreekt taboe’, NRC 8/3). Macron vindt het terecht onacceptabel dat Afrikanen naar Europa moeten reizen om een indruk te krijgen van het eigen erfgoed. Denk aan de ‘Benin Bronzes’, sculpturen uit het in 1897 geplunderde en vervolgens platgebrande koninklijke paleis van de Oba van Benin (in het huidige Nigeria), waarvan de originelen zich bijna uitsluitend in westerse collecties bevinden.

Opvallend genoeg krijgt Macron veel bijval uit de museumhoek. Die bijval lijkt een breuk te zijn met de behoudende lijn in de Verklaring van het Universele Museum uit 2002, waarin beargumenteerd werd dat cultuurschatten uit de hele wereld het beste tot hun recht komen en het beste bewaard worden in een ‘universeel’ (westers) museum. Dat de miljoenen voorwerpen die tijdens het imperialisme als exotisch object of kunstvoorwerp naar Europa werden gehaald in hun originele setting een andere betekenis hadden, wordt daarbij over het hoofd gezien.

Ondertussen werd de deur wél opengezet voor claims op door nazi’s geroofde kunst – waarna deze na teruggave vaak juist uit de openbaarheid verdwijnt. Gustav Klimts Portret van Adele Bloch-Bauer II verdween zo na doorverkoop voor 150 miljoen dollar in een Chinese privécollectie.

Ook verzoeken om repatriëring van menselijke resten in westerse musea werden gehonoreerd. Zo zijn vele Toi Moko’s (geprepareerde getatoeëerde hoofdhuiden) onder druk van de Nieuw Zeelandse regering uit westerse etnologische musea gerepatrieerd. Een nieuwe visie op cultuurgoederen wint dus terrein, en de immateriële betekenis van objecten voor specifieke (groepen) mensen staat daarin centraal. De omslag in denken, verwoord door Macron, sluit aan bij die bredere ontwikkeling.

In een opiniestuk in de Frankfurter Allgemeine Zeitung waarschuwt de voorzitter van de Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Hermann Parzinger, voor simplificatie van een complexe materie. Maar hij steunt Macrons idee van samenwerkingsverbanden tussen westerse en Afrikaanse instellingen, in zijn ogen een „redelijke en billijke” oplossing. Hij stelt een internationale conferentie voor om beginselen te formuleren voor de omgang met roofkunst, zoals dat in 1998 ook voor naziroofkunst werd gedaan. Die vergelijking ligt voor de hand. Ook voor roofkunst is de vraag aan de orde die schrijver en Nobelprijswinnaar Elie Wiesel twintig jaar geleden stelde in zijn openingsspeech van de conferentie over naziroofkunst: Waarom nu pas gehoor geven aan de ‘Bijbelse’ opdracht gestolen bezit terug te geven?

Het argument dat het bij koloniale roofkunst om gebeurtenissen uit een verder, te ver, verleden zou gaan, gaat beperkt op. Militaire koloniale acties en plundering van cultureel erfgoed beleefden een hoogtepunt, althans in Afrika, rond de Berlijnse ‘Scramble for Africa’ Conferentie in 1884-1885. Soms duurde kolonisatie tot na de Tweede Wereldoorlog.

Zowel nazi- als koloniale kunstroof vallen buiten de werking van hedendaagse verdragen over kunstroof en restitutie. Maar dat wil niet zeggen dat het juridisch in orde is. Sinds de opkomst van het internationale recht hebben cultuurgoederen een beschermde status. Op internationaal niveau gelden dan ook bepaalde principes. Voor naziroofkunst zijn dat de ‘Washington Principles’. Deze zeggen in feite niet veel meer dan dat musea proactief onderzoek moeten doen naar mogelijke naziroofkunst in hun collecties, en dat ze naar ‘redelijke en billijke’ oplossingen moeten zoeken in het geval van claims.

Op het gebied van koloniale roofkunst zijn sinds de jaren zestig meer dan twintig VN- en Unesco-verklaringen aangenomen die het belang van teruggave onderstrepen. Daarnaast geeft de internationale Ethische Code voor Musea aanwijzingen, evenals de in 2007 aangenomen VN Verklaring over de Rechten van Inheemse Volkeren.

Koloniale roofkunst krijgt minder aandacht. De teruggave van een Benin-sculptuur aan de erfgenamen van de Joodse eigenaar die zijn collectie in 1934 onder dwang van het naziregime verkocht, en de daaropvolgende veiling van het beeld zonder dat de Afrikaanse herkomstgeschiedenis werd vermeld, illustreert én het verschil in prioriteit én de complexiteit van roofkunst.

Lees ook: Eens gestolen, altijd gestolen; hoe gaan de diverse Europese landen om met de claims op ‘besmette kunst’?

In de discussie zijn een aantal cruciale zaken nog onduidelijk. Wat verstaat men bijvoorbeeld precies onder het begrip ‘koloniale roofkunst’? Is de aard van het verlies destijds doorslaggevend of de betekenis van een voorwerp nu voor bepaalde (groepen) mensen? En wie worden als ‘rechthebbenden’ aangemerkt? Neem de diamant van Banjarmasin, waar het Rijksmuseum onderzoek naar deed. Deze werd in 1859 door het Nederlandse leger in beslag genomen van de sultan van Banjarmasin, een sultanaat dat nu onderdeel van de Indonesische staat is. Hebben de erfgenamen van de sultan (zoals bij naziroofkunst) recht van spreken, het volk van Banjarmasin (naar het voorbeeld van de VN-regeling voor inheemse volkeren), of de Indonesische regering (volgens het interstatelijke model van Unesco)? En ten slotte, welke instantie gaat toezien op de transparante en neutrale implementatie van criteria? Een internationale geschillencommissie ligt voor de hand.

Het zijn lastige vragen, maar ze vormen geen reden de discussie uit de weg te gaan. Daarbij kunnen we lering trekken uit de ervaringen met naziroofkunst. Eén zo’n les is dat gestolen waar niet gedijt – we moeten ‘faire’ oplossingen bedenken voor wat we niet zo fair hebben gekregen. Een andere les is dat we heldere criteria en neutrale procedures nodig hebben voor rechtvaardigheid.