Recensie

Geslaagde hip hop-opera met soulnerf

Met ‘We Shall Not Be Moved’ bewijst componist Daniel Bernard Roumain dat het kan: geëngageerde, streetwise opera. Nina Spijkers maakt een geslaagd operadebuut met de productie ‘Avventure di anima e di corpo’.

Scène uit de opera ‘We shall not be Moved’Hans van den Bogaard

Voor het derde jaar op rij brengt De Nationale Opera met het Opera Forward Festival gloednieuw muziektheater van (overwegend) jonge makers. Opvallend is daarbij de aandacht voor maatschappelijk engagement.

Een voorbeeld daarvan is de kameropera We Shall Not Be Moved, een gastproductie van Opera Philadelphia waarin de Amerikaanse componist Daniel Bernard Roumain en regisseur-choreograaf Bill T. Jones de structurele etnische ongelijkheid in de Verenigde Staten aan de kaak stellen. Het libretto van spoken word artiest Marc Bamuthi Joseph vertelt het verhaal van vier Afro-Amerikaanse broers en hun zus uit de achterbuurten van North Philadelphia. Nadat een van hen uit zelfverdediging een moord begaat, duikt het vijftal onder in een verlaten pand dat het voormalige hoofdkwartier van de gewezen black liberation group MOVE blijkt te zijn. Dan duikt plotseling de overijverige wijkagent Glenda Ramos op.

Ondanks flauwigheden zoals de voortdurende Spaanse tussenwerpsels van de ‘Puerto Ricaanse’ Ramos en plotmatig getreuzel in de laatste akte, maakt de voorstelling het schrijnende onrecht van racisme voelbaar.

Dat heeft alles te maken met de fantastische zangprestaties van countertenor John Holiday (broertje John Blue), wiens soulvolle sound de nerf van de opera vormt. Met zijn diepe stentorstem deelt bas-bariton Aubrey Allicock (broer John Henry) een goede tweede plaats met Kirstin Chávez (agent Glenda).

Wat ook helpt is Roumains stilistisch hybride partituur die moeiteloos met het drama meekleurt: van klassiek operatesk en R&B met jazz-invloeden tot gospel op een funkbeat of raggende metalgroove.

Geslaagd debuut

Van een volslagen andere orde, maar toch even hybridisch is Avventure di anima e di corpo, een productie van muziektheatergezelschap Silbersee. De voorstelling markeert het operadebuut van regisseur Nina Spijkers die een geslaagde kruising aflevert van György Ligeti’s geniaal-geschifte anti-operaminiaturen Aventures/Nouvelles aventures met een nieuw werk van de Franse componist Raphaël Cendo.

In de taalloze ‘opera minotauro’ scharrelen tien musici mummelend en brabbelend door een labyrint van vuilnis. Soms ontvlamt er een fonetische scheldpartij die even later wordt bijgelegd in een koortje van ritmisch gehijg, of ontlaadt een ijzerenheinig staarduel zich in een hysterische lachpartij.

Geraffineerde mimiek

Bewonderenswaardig is hoe Spijkers zonder woorden de emoties en gedragingen van haar karakters concreet maakt door een geraffineerd gebruik van beweging en mimiek. Eveneens een pre is haar sensibiliteit voor Ligeti’s absurdistische humor, die ze subtiel doortrekt in de rauwe klankwereld van Cendo, waar de menselijke inborst van de karakters langzaam kopje onder gaat in een onderstroom van oerinstincten en animale angsten.

Ruwgebeitste experimenten

De muzikale leiding is in handen van mezzosopraan Francine Vis die haar dirigeerkunst knap verweeft met haar zang en bewegingen. Uit het hoofd loodst ze haar uitstekend spelende, zingende en acterende collega’s door de complexe noten.

Toch kan zelfs Vis niet verhinderen dat Cendo’s muziek, ondanks intrigerende ruwgebeitste klankexperimenten, op den duur wat monotoon aandoet. Dan blijkt Ligeti’s fel gemonteerde partituur toch over meer spankracht te bezitten.

    • Joep Christenhusz