Foto Gertjan van Noord/Flickr by CC

Natuur in Woord: Eigenlijk een alledaagse beek

Het thema van de Boekenweek is natuur. NRC vroeg vijf auteurs naar hun favoriete natuurbeschrijving. Vandaag het laatste deel (5): over Simon Vestdijk

De eerste beek, veelal kabbelend over helder zand, is vriendelijks gesitueerd zonder verborgen dreigementen. Hij loopt door een langgerekte lusthof. Aan de ene kant weilanden met koeien, streng afgerasterd. Maar het begeleidende pad wordt geflankeerd door rododendron en azalea mollis. Hier en daar verbreedt het water zich tot geheimzinnige vijvertjes met kroos en waterlelies, en overal zijn eilandjes en schiereilandjes, door middel van eenvoudige bruggetjes bereikbaar. Vlak achter dit intieme vijverrijk verheft zich als een ernstige zwarte wand het dennenbos. Van de vijverpartijen uit is dit bos moeilijk te bereiken. Men moet terug naar een landelijker overgang, een soort hol weggetje, verscholen in hoge stengels. De bodem stijgt hier wat. Het bos is buitengewoon streng en in zichzelf gekeerd, in zoevende meditatie beveiligd achter zijn strook van weilanden met akkermaalshout. Aan die rand mag het dan reeds eenzaam zijn, niets is dit vergeleken bij de paden, die men op goed geluk te kiezen heeft. Gaande in oostelijke richting, ongeveer vijf minuten ver, stuit men op de tweede beek. Deze beek is somber en overwelfd, klimop bedekt de oevers, de lichtschijnsels erin zijn loens en verraderlijk, het is een beek van avontuur en spookachtig bedrijf, en hij loopt van Staverden naar Hierden, evenals de andere, de lichtere, die zich, als ik mij niet bedrieg, zelfs laat overreden ergens een watermolen te bedienen. Maar verderop kronkelt ook hij het bos in, en dan heeft men in het bos twee beken, en deze twee beken hebben mij indertijd dagenlang getergd met hun onontwarbaarheid. Men moet maar op de gedachte komen, dat beken onontwarbaar kunnen zijn; maar is men eenmaal zover dan is men verloren!

Simon Vestdijk en Jeanne van Schaik-Willing, uit: De overnachting

In de brievenroman De overnachting, die Simon Vestdijk samen met Jeanne van Schaik-Willing schreef, duikt vlak voor het slot een passage op over wat Vestdijk noemt ‘onontwarbare beken ’ in het Leuvenumse bos. Mij lijkt dat Vestdijk hier één beek, de Hierdense beek met al zijn vertakkingen, herschapen heeft in twee contrasterende beken.

Wat ik zo mooi vind, is dat Vestdijk een toch vrij alledaagse beek – ik ken hem goed, want ik heb daar vlakbij in de Jan van Schaffelaarkazerne mijn opleiding tot vaandrig gevolgd – met de term onontwarbaar zo raadselachtig weet te maken.