Recensie

Een opiumroes vol genot en angstvisioenen

Sadegh Hedayat

Uit zijn roman uit de jaren dertig blijkt hoezeer deze schrijver de Iraanse literatuur heeft gemoderniseerd. Zo trekt hij zijn lezers een wereld zonder doel binnen, zonder logica, zonder liefde, waar je niemand kunt vertrouwen.

Een wanhopige aanklacht tegen politiestaat of noodkreet van een diep eenzaam mens? Je kunt De blinde uil, klassieker uit de Iraanse literatuur, op beide manieren lezen. Sadegh Hedayat (1903–1951) werd geboren in een aristocratisch Iraans schrijversgezin en verhuisde als jongeman naar Europa. Hij behoort tot de schrijvers die de Iraanse literatuur een ander aanzien gaven: minder lyriek, minder klassiek Perzisch, meer spreektaal, dichter bij het dagelijks leven. Hedayat woonde jaren in Parijs. Hij begon er aan De blinde uil, de roman die hij eind jaren dertig in India voltooide. Aan het eind van zijn leven keerde hij vanuit Iran terug naar Parijs, waar hij in 1951 zelfmoord pleegde.

In De blinde uil is een man aan het woord die zich zijn leven lang heeft beziggehouden met het beschilderen van pennenkokers. Met steeds dezelfde afbeelding: een cipres met daaronder een oude, gebogen man en tegenover hem, aan de andere kant van de rivier, een jonge vrouw die hem een lotusbloem probeert aan te reiken. De verteller, die in Teheran woont, heeft alle banden met zijn omgeving verbroken en schrijft ‘uitsluitend voor zijn eigen schaduw’. Hij is de wanhoop nabij, schrijven is voor hem ‘de enige manier om de chaos in zijn geest te bedwingen’.

Op de eerste pagina’s ziet de verteller een fragiele vrouw die een poging doet om over een riviertje te springen, waar een gebogen oude man onder een cipres zit. Het lukt haar niet de overkant te bereiken, waarna de oude man in een akelige, valse lach uitbarst. Onschuld, mislukte pogingen geluk te vinden en snijdend leedvermaak komen daarna voortdurend gespiegeld terug.

In het tweede deel deelt de verteller flarden van zijn leven met ons: hij is getrouwd met een ‘slet’, de dochter van een vrouw die hij liefhad als zijn eigen moeder. Zij laat hem sinds de huwelijksdag links liggen, wat zijn emotionele ondergang betekent. Hedayat voert de vrouw – klassiek – op als moeder, madonna en als de verpersoonlijking van het kwaad.

De arts aan het ziekbed van de verteller schrijft opium voor, een medicijn waardoor hij ‘een wereld van grandeur, magie, verhevenheid en élégance’ wordt binnengevoerd. Het genot ervan ‘overtrof zelfs dat van de dood’. Hij voelt zich ‘een levende dode’, een metafoor voor hoe het voelt te leven in een dictatuur. Het is een beeld dat je bijvoorbeeld ook aantreft in het werk van de Algerijnse schrijver Boualem Sansal, die ook de dictatuur aan de kaak stelt.

Als lezer beland je in De blinde uil in het labyrint van een dolende geest, een opiumroes, vol angstvisioenen en nachtmerries. Je gaat kopje-onder in een absurd universum dat verwant is aan dat van Kafka, Edgar Allan Poe of de bizarre, afschrikwekkende wereld van de Roemeense auteur Mircea Cartarescu. Iedere zin draait om de dood, de slaap der vergetelheid, de dodengeur, de massieve duisternis, de absolute stilte. Uiteindelijk ziet de verteller hoe zijn schaduw zich aftekent op elke muur waarvoor hij blijft staan. Het is echter een schaduw zonder hoofd – voorteken van de naderende dood.

Hedayat trekt ons een wereld zonder doel binnen, zonder logica, zonder liefde, waar je niemand kunt vertrouwen. En steeds blijft die valse, akelige lach maar resoneren in je hoofd.

    • Margot Dijkgraaf