Foto Frank Ruiter

‘Het grootste gemis is dat ik hem niks meer kan vragen’

Lunchinterview Ivo Weyel (62), reisjournalist, kwam er pas na de dood van zijn vader achter dat hij twee jaar ondergedoken zat. „Mijn leed werd gesmoord door massa’s mantels der liefde.”

Om op z’n 62ste te debuteren met een schitterend boek moesten eerst de ouders van Ivo Weyel dood en moest het ouderlijk huis leeggeruimd. En toen heeft het nóg een tijd geduurd voor hij goed durfde te bekijken wat zijn broer en hij hadden aangetroffen achter in hun vaders boekenkast. Drie ordners, honderden velletjes dichtbetypt luchtpapier, met vastgeniet op de eerste pagina een okergele Jodenster, de rijgdraadjes van vaders jas er nog aan. ‘Dagboek Onderduik’ staat erop.

Begin 2017 is Ivo Weyel voor het eerst in die mappen gaan lezen. Wat bleek? Zijn vader, die bij leven nauwelijks meer dan drie zinnen wijdde aan de oorlog, had minutieus opgetekend hoe diezelfde oorlog verliep. Vanaf zaterdag 18 juni 1943 schrijft hij over oprukkende Duitse legers, geallieerde bombardementen, weggevoerde gezinnen in de stad. En hij vertelt over zijn verblijf op zolder bij de buren in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Hij zit er als jongeman van 19, 20 jaar oud twee jaar en vijf dagen ondergedoken met zijn vader en moeder. Zijn typemachine heeft hij in de gootsteen gezet en hij doet 736 dagen lang verslag van de oorlogshandelingen, buitens- en binnenshuis.

Waar, hoelang en bij wie zijn vader ondergedoken had gezeten, was nieuw voor Ivo Weyel en zijn broer. Wat ook nieuw was, is hoe prachtig zijn vader kon schrijven. Soms emotieloos gadeslaand, soms pijnlijk eerlijk en zelfs in zijn wanhoop geestig als hij schrijft: „Waar blijft de vrede? Zit die soms ook ondergedoken?” Aangrijpend om te lezen, ook als je geen zoon van hem bent, zijn de fragmenten waarin hij zich afvraagt wat hij zijn toekomstige kinderen moet vertellen over de oorlog. Zo jong als hij is, realiseert hij zich dat de oorlog hem mede zal maken wie hij worden zal. Dat het verleden altijd als een „leeglopend infuus” aan zijn armen zal hangen.

Het heeft iets schrijnends om Ivo Weyel nu van alles te vragen over zijn vaders dagboek. Zelf heeft hij een miljoen vragen, zegt hij, die hij niet meer stellen kan. Zijn vader overleed in 2014, 90 jaar oud. Het jaar erop stierf zijn moeder. Of zij afwist van het bestaan van de dagboeken? Zelfs dat weet hij niet. „Dat is het grootse gemis. Niks meer kunnen vragen. Alleen al over die typemachine in de gootsteen. Kon dat dan? Dat maakt toch een rotherrie?” Hij had het bij zijn vaders leven willen lezen. „Maar blijkbaar wilde hij dat niet.” Wat ons meteen brengt bij de precaire kwestie of zijn vader dan wel gewild zou hebben dat het werd gepubliceerd. In Ivo Weyels boek Oorlogszoon zijn ongecorrigeerde delen dagboek opgenomen.

Ik ben een kopie van mijn vader. Daar ben ik wel achter

Eerst wijn, joelt hij. Op z’n nuchtere maag, wat kan het schelen. We zitten bij Hotel Americain op het Leidseplein. Dat we daar zitten, heeft weer te maken met zijn moeders geschiedenis, waarover later meer. Hem kwelt regelmatig de gedachte dat hij zijn vaders verborgen verleden aan de openbaarheid prijsgeeft. Maakt dat hem een verrader? Wellicht. Halverwege zijn boek citeert hij de Nobelprijswinnende schrijver Czeslaw Milosz. „Als er in een gezin een schrijver wordt geboren, is dat gezin ten dode opgeschreven.” Het schrijvende kind zal niet aarzelen zijn familie uit te leveren aan het publiek. Nou ja, zegt hij nuchter nippend aan de witte wijn: „Nu is het toch al te laat.”

‘Mijn oorlog is niet belangrijk’

Als je het mij vraagt – en dat doet Ivo Weyel – bewijst hij er het publiek vooral een dienst mee. Het dagboek is, zoals hij het omschrijft „het dagboek van Anne Frank plus”. Te mooi en bijzonder om niet deels te openbaren. Bovendien gaat Oorlogszoon niet over zijn vader, maar vooral over hem, Ivo Weyel. Door de dood van zijn ouders vond hij het dagboek. Door het dagboek vond hij zichzelf. Zo zegt hij het. Nu hij postuum een compleet andere vader heeft leren kennen, heeft hij ook zichzelf moeten herzien. „Ik leidde een leven van reizen, eten, drinken, mooie hotels.” Hij schreef er krantenstukken over, ook voor NRC. „Maar ik heb met iets afgerekend, ik ben gelouterd, ik weet nu wat er echt voor mij toe doet.”

Lees ook de recensie van Oorlogszoon: Maniakaal met de oorlog van je ouders bezig zijn

Op 2 september 1943 schrijft Weyels vader een bespiegeling die te lezen valt als antwoord op zijn eerdere vraag: hoe vertel ik mijn toekomstige kinderen over de oorlog? Hij schrijft: „Mijn oorlog is niet belangrijk. Het gaat om de oorlog. Dientengevolge ben ik in deze niet belangrijk. Zo maar alles uiten heeft geen zin.” Hij neemt zich voor zijn kinderen niet te belasten met de ellende die hem trof. Aan dat voornemen heeft hij zich gehouden. Hij trouwde drie jaar na de oorlog een joods meisje, kreeg twee zoons, rondde een studie geneeskunde af en vestigde zich als huisarts in Amsterdam-Zuid, een „bastion van overleefd Joods Amsterdam”. Over zijn oorlog werd niet gesproken. Nooit.

De oorlog van Weyels moeder was wel bespreekbaar. Haar vader was eigenaar en directeur van de firma Hirsch, een zeer luxe modehuis aan het Leidseplein, tegenover het Americain waar Ivo Weyel nu een hamburger met friet verorbert. „Mijn moeder zat met haar moeder en broer ondergedoken op de hooizolder van boerderij Soppenhof op de Veluwe.” Zijn moeders familieverhaal is een boek op zich, reken maar dat Weyel dat ook nog eens opschrijft. Maar zijn vaders geschiedenis? Hij heeft er niet eens naar gevraagd. „Mijn vader, maar ook zijn ouders zwegen blijkbaar zo professioneel dat mijn broer en ik niet eens doorhadden dat er überhaubt iets speelde waarover niet gesproken mocht worden.” Hij friemelt aan zijn moeders trouwring om zijn ringvinger – hij paste precies – en zegt: „Die allesomvattende stilte van toen grijpt me naar de keel.”

De beklemming van de ontkenning, de zelfopgelegde zwijgplicht, het niets-aan-de-handtoneelspel, dat ziet hij allemaal nu pas, met terugwerkende kracht. Want zijn jeugd was allerminst ongelukkig. Geen vuiltje aan de lucht. Er werd muziek gemaakt, gezongen, veel en hard gelachen. „Mijn vader bewoog en praatte druk, hij was de gangmaker, een gestoorde ui.” Bij lange na niet de bedrukte sfeer in huis die andere tweedegeneratiekinderen zich herinneren. De enige depressieve was Ivo zelf. „Het begon rond mijn bar mitswa.” Toen hij op z’n dertiende verjaardag van jongetje man moest worden. „Ik droeg mijn moeders ringen, had een meisjesstem en krulletjes.” Dat hij op mannen viel, kan geen verrassing geweest zijn voor zijn ouders. „Maar het was geen onderwerp. Er werd categorisch niet over gesproken.” Ook toen hij op zijn achttiende een overdosis pillen slikte en in het ziekenhuis belandde, was dat geen gespreksonderwerp. „Mijn leed werd gesmoord door massa’s mantels der liefde.”

Een andere man geworden

Als dokter praatte en luisterde zijn vader volop. In de spreekkamer, dubbeldikke deur dicht. „Hij bestond door de emoties van anderen. Zijn praktijk was zijn uitlaatklep, zijn leven.” Na zijn dood stroomden de condoleancebrieven van dankbare patiënten binnen. Hij had huwelijken gered, ruzies beslecht, oorlogstrauma’s verzacht. „Maar dichtbij, in zijn gezin en bij zichzelf ging alles op slot, de deur en de luiken dicht. Eigen leed kon hij niet aan.” Door te zwijgen hoopte hij zijn kinderen een onbezorgde jeugd te bezorgen. „Zwijgen heeft hém zijn leven door geholpen. Alles zelf oplossen, geen hulp zoeken, iedereen wantrouwen.” Nooit kwetsbaar zijn, geen uitzondering, geen outcast. En dus ook geen homoseksueel.

Gaandeweg is zijn vader een andere man geworden. Op z’n vijftigste gooide hij abrupt de praktijk dicht. „Niemand begreep waarom.” Schrijven, toch ooit ook een uitlaatklep, bleef hij doen, maar uitsluitend in brieven aan zichzelf. Meer en meer trok hij zich terug. „Lezen, lezen, lezen. Kennis is macht, daar kon hij nooit genoeg van hebben.” Gordijnen dicht, ook in de zomer, want vader hield van donker. Aan het eind van zijn leven werd hij nog stiller, lethargisch zelfs. „Apathie luidde de diagnose. Een vorm van dementie waarbij de patiënt ziekelijk onverschillig is en niet in staat te reageren op de omgeving. Alsof hij uiteindelijk onderdook in zijn eigen geest.”

Intimiteit deel ik makkelijker met een vreemde

Ivo Weyel heeft in zijn leven heel wat psychiaters versleten. Zijn huidige begeleidde hem bij het schrijven van zijn boek, dat hij er overigens in een half jaar tijd „uit diareede”. Hij moet zich wel verlaten op een „betaalde kracht”, zegt hij. „Intimiteit deel ik makkelijker met een vreemde.” Van nature is hij een mossel, altijd bang dat te veel persoonlijke confidenties leiden tot afwijzing. Bindingsangst, zo kun je het ook noemen. Reden waarom hij altijd alleen gebleven is. „Mijn relaties hebben altijd een ander ernaast. Getrouwde hetero’s, mannen die niet voor de volle honderd procent voor me gaan.”

Maar goed, zijn psychiater dus, heeft hem doen inzien dat hij als zoon van twee onderduikouders hun onuitgesproken angsten heeft geabsorbeerd. Dat verklaart wellicht het ruime assortiment angsten waaraan hij lijdt (voor ziekte, pijn, verdwalen, verdrinken). Hij begrijpt nu ook dat die zogenaamde bescheidenheid van hem óók voortkomt uit angst en onzekerheid. „Zij mochten er niet zijn, dus ik ook niet. Hoe minder je je laat voorstaan op wat je hebt of doet, hoe minder kans op kritiek of afwijzing door anderen.”

Het heeft van hem een wegloper gemaakt. „Ik wil het liefst niet horen, niet zien en zwijgen.” Ik hoef de conclusie niet in te koppen, dat doet hij zelf wel. „Ik ben een kopie van mijn vader. Daar ben ik wel achter.” Maar hij is opener geworden. „Voor het eerst heb ik het gevoel dat ik echt iets te vertellen heb.” Dat is mooi, zeg ik. „Maar ook tragisch dat het zo lang heeft moeten duren,” zegt hij. Beter laat dan nooit, probeer ik. „Arme vader,” zegt hij dan. „Ik kan het niet vaak genoeg zeggen. Arme vader.”

Lees ook het interview met Dick Woudenberg (1928). Als zestienjarige werd hij tijdens de oorlog ingelijfd in een SS-regiment.
    • Rinskje Koelewijn