opinie

    • Ellen Deckwitz

Zwarte gaten

Op het moment van schrijven is het nog een paar dagen Boekenweek en hoewel deze feestperiode eigenlijk in het teken van proza staat (zeker omdat we eind januari tegenwoordig – godzijdank! – de Poëzieweek hebben), ben ik de afgelopen dagen alleen maar gedichten aan het lezen, in het bijzonder die van Hugo Claus (1929-2008). Komende week is het tien jaar geleden dat hij overleed.

Telkens als ik zijn verzen herlees, ben ik opgelucht dat ik het nog steeds prachtig vind. Net zoals de muziek waar je in de puberteit verslingerd aan was, kan ook je lievelingspoëzie uit die periode bij latere lezing opeens tegenvallen. Maar door Claus’ werk word ik steeds weer achterovergeblazen. Neem bijvoorbeeld deze regels uit het gedicht ‘Moeder’, waarin een jongen zich semi-oedipaal tot zijn maman richt: „Ik was de genode maar de dodende gast./ En nu, later, mannelijk word ik u vreemd./ Gij ziet mij naar u komen, gij denkt: ‘Hij is/ De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt/ De honden in mij wakker.’

Snapte ik destijds wat hij hiermee bedoelde? Snap ik het nu? Daar gaat het helemaal niet om: het draait om wat er door deze regels in je wordt wakker geschud: weemoed, drift, het eeuwige schuldgevoel dat kinderen aan ouders bindt, en andersom. Daarom houd ik van Claus’ poëzie: het is een heidens prijzen van de natuur, maar ook soms een tedere blik op de schade die de liefde ons keer op keer toebrengt.

Jaarlijks bezoek ik talloze middelbare scholen om daar te evangeliseren voor de literatuur. Ik vraag dan altijd aan de docenten welke gedichten ze behandelen met Nederlands. Standaard wordt er nog wel wat gedaan aan Nijhoff, Bloem, Vasalis, Achterberg, als het meezit nog wat Lodeizen en Faverey. Maar slechts één Nederlandse school die ik de afgelopen jaren bezocht, noemde Claus. En dat is doodzonde. Je hebt het godsgruwelijke geluk zo ongeveer dezelfde taal machtig te zijn als een van de grootste schrijvers ooit. Dan ben je verplicht om aandacht te besteden aan diens werk.

Toen ik vanochtend verdiept was in Claus’ Oostakkerse gedichten, werd bekend dat Stephen Hawking was overleden. Van hem is een van mijn lievelingsuitspraken over het heelal afkomstig: „It would not be much of a universe if it wasn’t home to the people you love.” En zo zou het universum ook niet veel soeps zijn als de poëzie van Claus niet meer zou worden gelezen: slechts een verzameling zwarte gaten en sterren, eens verlicht maar nu uitgedoofd.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz