Recensie

Via magische deuren naar de truttigheid

Tomas Lieske Badderende fysici, een auto-ongeluk, een vrouw in tweevoud, een vosje. Lieske poogt alles aan elkaar te lijmen.

Een van de romans van Tomas Lieske (1943) heet Alles kantelt, twee woorden die je ook prima zou kunnen gebruiken om de dynamiek in zijn nieuwe roman mee samen te vatten. Want er is weinig dat op zijn plaats blijft in het frivool getoonzette De vrolijke verrijzenis van Arago: mensen zijn dood maar ook weer niet, weldoeners ontpoppen zich als aanranders, een vos ondergaat een naamsverandering en een vrouw die zich over een hulpbehoevend meisje ontfermt blijkt in het verleden in koelen bloede twee mannen te hebben vermoord.

Bepaald karaktervast zijn ze dus niet, die personages van Lieske, maar in al hun wendbaarheid passen ze goed in wat deze roman is, namelijk een demonstratie van ongebreidelde, springerige verbeelding. In de openingssequentie pakt dat wonderlijk goed uit; in een pagintta of zeven, acht zit zoveel energie en intellectuele bravoure samengepakt dat ik er de komende jaren nog vaak aan terug zal denken.

Atmosfeer van genialiteit

We volgen de fysici Niels Bohr en Paul Ehrenfest, die in 1924 in een dikke bak 1.0 (een Fiat 519 om precies te zijn) het Oostenrijkse Gmunden binnenrijden. Waar Lieske goed in slaagt, is het voelbaar maken van die atmosfeer van genialiteit die de twee omringt, zonder een beroep te doen op het vakgebied waar ze in uitblinken: hun bewustzijn maakt domweg geen deel uit van het gewone leven dat er óók is. Het surrealistische visioen waarmee afgesloten wordt – Bohr en Ehrenfest zijn inmiddels gaan zwemmen – is in deze etherische scène precies op zijn plek.

Dan is al duidelijk dat hier een schrijver aan het werk is die veel van zijn lezers gaat vragen. Ik kwam bijna kantlijn tekort om in het er op volgende verhaal grip te krijgen op datgene waar Lieske eigenlijk over vertelt. Banaler gesteld: om te bepalen wat het eigenlijk is wat hij schrijft. Want na de badderende wetenschappers sleept hij je mee naar een tafereel dat in alles haaks staat op het voorgaande. De tijd (het is 1999), het milieu (een gezin bestaande uit een crimineel, diens opgedofte vrouw en hun puberdochter Joys) en de nationaliteit (Nederlands), ‘anderser’ kan het niet.

Ooit, zo weet je dan, zal Lieske die schijnbaar onverenigbare werelden met elkaar moeten verenigen. Maar voor het zover is, is er Joys. Vooral zij, want na een noodlottig auto-ongeluk in de bergen staat ze er alleen voor. Ze wordt uit de auto geslingerd en ligt als een kapot hompje in de berm; een paar meter verderop ziet ze nog net het familiewrak (een Fiat 519!) in de afgrond tuimelen.

Nadat Lieske ons het ongeluk via verschillende perspectieven heeft laten beleven laat hij Joys, hoe vreemd dit misschien ook moge klinken, in tweevoud verder leven: fysiek belandt ze in het ziekenhuis, terwijl iets als een alternatief ik, een alternatieve Joys dus, vervolgens een dwaaltocht door de Dolomieten mtaakt. Geheugenloos. Vergezeld door een vos. Kort na het einde van de Eerste Wereldoorlog. Ik had het met alle liefde eenvoudiger samengevat, maar zo staan de zaken er in de eerste helft van de roman nu eenmaal voor.

Grammaticale glibberigheden

En het is vervolgens niet minder dan een klein wonder dat Lieske dit zonder problemen bij je naar binnen schrijft. Het heeft met zijn stijl te maken, opgetrokken uit grammaticale glibberigheden waarmee hij je moeiteloos door magische deuren laat lopen. Het is het soort literatuur waar je als veellezer (vooral in Nederland) vaak op hoopt, maar zelden tegenaan loopt. Lieske trekt de riem niet aan om je van je adem te beroven, hij werkt de tegenovergestelde kant op door de ruimte groter te maken. Om eerlijk te zijn keek ik zo rond die tijd, we schrijven pagina 130, al voorzichtig of er nog wel genoeg waarderingsballen in de koelkast lagen.

Exit suggestiviteit

Van Gerard Reve is het verhaal bekend dat hij tijdens het schrijven van Het hijgend hert in het ziekenhuis belandde. Reve keert terug, kan zich van het voorgaande amper nog wat herinneren en schrijft het tweede deel van de roman als, laten we zeggen, een nieuwe man. Na afronding daagde hij lezers uit om te bepalen ‘waar de lijm zat’, dus waar hij opnieuw was begonnen te schrijven.

Die anekdote is bij het lezen van het tweede deel van De vrolijke verrijzenis van Arago nooit ver weg, want het lijkt wel alsof je een ander boek in handen hebt. Een boek dat zijn magie verloren heeft, want Lieskes greep om de nomadische Joys (die van de vos) naar het universitaire Leidse wereldje van de jaren twintig te krijgen (die van Ehrenfest) is in zijn idee geforceerd en in zijn uitwerking, tja, tamelijk oubollig. Exit suggestiviteit! Exit, die bewonderenswaardige, anarchistische doch roerende schrijverij met een broertje dood aan de suffe data waarmee je je geest aan de grond houdt.

Muizenissen en truttigheid, daar gonst de tekst dan van, met voorzichtige schaatstochtjes, heimelijke verliefdheid en de dood van die arme vos; eerst soeverein en nu, na pagina’s Leidse anonimiteit, domweg geëlektrocuteerd. Een meerkleurenzeppelin is deze roman, koen het zwerk ingestuurd en een weiland verderop aan een lullig bosje blijven haken.