Recensie

Toen Paradiso nog geen poptempel was

De eerste keer dat ik Paradiso bezocht was eind 1977 tijdens een concert van de Britse punkband The Stranglers. Ongetwijfeld zal ik de enige niet zijn geweest die moest grinniken om het schrijnende contrast tussen de goddeloze klereherrie en de gebrandschilderde ramen, die een enigszins gewijde sfeer trachten te verlenen aan de naar bier, tabak en hasj stinkende zaal, waar de Hell’s Angels er af en toe op los ramden. Zoals vrijwel iedereen meende ik te weten dat Paradiso ooit een kerk was, een instituut waar ik weinig affiniteit mee had. ‘Vrije Gemeente’ stond er boven de deur, maar dat zei natuurlijk niets, aangezien de uiterst dogmatische gereformeerden die in 1944 met hun kerk braken zichzelf ook ‘vrijgemaakten’ noemden.

Uit Raymond van den Boogaards informatieve en vlot geschreven boek over de voorgeschiedenis van de roemruchte poptempel wordt duidelijk dat de oprichters van de Vrije Gemeente zich bij het woord ‘kerk’ in hun graf zouden hebben omgedraaid. In die tijd dacht men bij ‘kerk’ meteen aan dogma’s en geloofsdwang, aan sacramenten en belijdenis, aan het messcherpe onderscheid tussen ware gelovigen en zij die dwaalden. De broers Reinhard en Herman Hugenholtz wilden juist een religieuze vrijhaven creëren, waar gewerkt kon worden aan een algehele vernieuwing van het religieuze leven. Eeuwen van dogmatiek en conventies hadden het geloof misvormd tot een knellend keurslijf, nu niet alleen Darwins evolutietheorie maar ook de kritische Bijbelwetenschap aantoonde dat men veel verhalen uit de Heilige Schrift niet letterlijk moest nemen. Bovendien werd het tijd om ook niet-christelijke bronnen van religiositeit aan te boren.

De gebroeders Hugenholtz maakten deel uit van de ‘moderne richting’ binnen de Nederlandse Hervormde Kerk die het geloof in wonderen bestreed en het goddelijke karakter van Christus betwijfelde of zelfs ontkende. Omdat de kerkenraden sinds 1867 democratisch gekozen werden en veel gemeenteleden niets wilden weten van dit soort nieuwlichterij, kwam er steeds meer verzet tegen moderne predikanten. In 1886 zou een deel van de orthodoxen onder leiding van Abraham Kuyper de hervormde kerk verlaten, maar negen jaar eerder vertrok juist een deel van de meest vrijzinnige gelovigen, die sinds 1880 onderdak vonden in het door architect Gerlof Salm ontworpen gebouw aan de Weteringschans.

Met veel gevoel voor detail beschrijft Van den Boogaard vooral de eerste dertig jaar van de Vrije Gemeente. Van het optimisme uit de beginjaren bleef weinig over, omdat aan de ene kant juist de orthodoxie veld won, terwijl tegelijkertijd een aanzienlijke groep juist definitief met het geloof brak. De Vrije Gemeente bleef altijd een kleine club van welgestelde en vooruitstrevende burgers, die steeds verder slonk en in de jaren zestig van de vorige eeuw de grote zaal van het gebouw nooit meer gevuld kreeg. Ook het veel kleinere verenigingsgebouw in Buitenveldert bleek al snel te groot, zodat de nog altijd bestaande – en momenteel vijftig leden tellende – Vrije Gemeente sindsdien zaalruimte moet huren. Het verouderde pand aan de Weteringschans zou plaats maken voor een hotel, maar werd in 1967 gekraakt door hippies en provo’s. En de rest is popgeschiedenis.