Recensie

Het fiasco van de vrije markt

Markteconomie

De privatisering van overheidsdiensten is veelal uitgelopen op een mislukking. En historisch gezien leidt de markteconomie uiteindelijk tot ongelijkheid en onvrijheid.

Als het communisme het geloof der kameraden was, dan is de vrijemarkteconomie het geloof van de neoliberale vrinden. Zoals marxisten zeker wisten dat het kapitalisme onvermijdelijk ten onder zou gaan en zou uitmonden in een communistisch paradijs, zo verwachten neoliberalen alle heil en zegen van de vrije markt. De vrije markt brengt niet alleen welvaart voor iedereen, maar marktwerking is ook onlosmakelijk verbonden met vrijheid en democratie, zo verkondigde de Amerikaanse econoom Milton Friedman.

Friedman (1912-2006), een van de grondleggers van de neoliberale religie die in 1976 de Nobelprijs voor economie kreeg, werd de leidsman van de Britse conservatieve premier Margaret Thatcher en de republikeinse Amerikaanse president Ronald Reagan. Nadat zij in respectievelijk 1979 en 1980 aan de macht waren gekomen, begonnen beide Friedman-aanhangers voortvarend met de terugdringing van de vermaledijde staat ten gunste van de vrije markt. Aanvankelijk wekte hun rigoureuze vrijemarktbeleid afschuw op in Nederland en andere Noord-West-Europese landen met een omvangrijke verzorgingsstaat, schrijft journalist Sander Heijne in Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u. Dertig jaar marktwerking in Nederland. Hoewel de kabinetten van de CDA-premier Lubbers in de jaren tachtig ook flinke bezuinigingen doorvoerden op de verzorgingsstaat, ging Reaganomics de meeste Nederlandse politici te ver. ‘Het harde economische beleid in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten stond namelijk haaks op onze christen- en sociaaldemocratische tradities, waarin solidariteit werd nagestreefd’, schrijft Heijne (1982), die zeven jaar lang in de Volkskrant publiceerde over de zorg, spoorwegen, posterijen, energie- en andere (semi-)overheidsbedrijven die de afgelopen decennia zijn onderworpen aan ‘de tucht van de markt’.

Maar toen gebeurde er een wonder, vertelt Heijne in zijn met vaart geschreven verslag van de gevolgen van de invoering van marktwerking in Nederland in wat vroeger – meestal om goede redenen overigens – overheidsdiensten waren: in 1989 viel de Berlijnse Muur. In de jaren daarna hield de Sovjet-Unie op te bestaan en vielen de communistische regimes in Oost-Europa. Het kapitalisme had gezegevierd en de geschiedenis had zijn einde bereikt, beweerde de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama daarom in Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992). Er bleef nu nog maar één geloof over: de vrijemarkteconomie.

Na de val van de Muur werd Friedman definitief de invloedrijkste econoom na de Tweede Wereldoorlog, schrijft Heijne, en ‘maakten we onszelf wijs dat we helemaal geen overheid nodig hadden’. Ook de PvdA, de sociaal-democratische steunpilaar van de verzorgingsstaat, bekeerde zicht tot het geloof in de vrije markt en ondersteunde de privatisering van uiteindelijk 186 overheidsdiensten. Vaak zijn die uitgelopen op regelrechte mislukkingen, zo stelt Heijne nu vast. Zo leidde de introductie van marktwerking bij de spoorwegen en posterijen niet tot een betere kwaliteit en lagere prijzen, maar tot het tegenovergestelde. In de zorg zorgde marktwerking voor een kolossale bureaucratie, die juist altijd wordt geassocieerd met overheidsdiensten.

In de loop van de jaren, waarin Heijne sprak met honderden betrokkenen, verbaasde hij zich steeds meer over het wijdverbreide geloof in de heilzame werking van de markt. Dit bleek, zoals elke religie, volstrekt ongevoelig voor rationele argumenten. Zo onderzocht de commissie-Wijffels in 1992 de mogelijkheden van marktwerking op het spoor en gaf het dringende advies om de Nederlandse Spoorwegen vooral niet te splitsen in een bedrijf voor het beheer van het spoor en een voor het vervoer. Maar de regering onder leiding van de PvdA’er Wim Kok negeerde dit. Ook het gegeven dat de eerdere privatisering van de spoorwegen in Groot-Brittannië had geleid tot minder kwaliteit voor hogere prijzen, maakte geen indruk. Vanuit de heilige overtuiging dat de markt alles beter doet dan de staat, rommelden de kabinetten-Kok en latere regeringen maar wat aan, is Heijne’s vernietigende conclusie: ‘Wat na al die tijd bijblijft, is hoe verbijsterend groot het gat is tussen politieke dogma’s over de vermeende zegeningen van de markt en de praktijk. Sinds de jaren tachtig is onze overheid in de ban van de marktwerking, maar tot op de dag van vandaag is ze er niet in geslaagd het wezen van de marktwerking te doorgronden.’

Illustratie Olivia Ettema

Ongelijkheid

Ook de Nederlandse economische historicus Bas van Bavel (1964) noemt Friedman in De onzichtbare hand. Hoe markteconomieën opkomen en neergaan als een van de grondleggers van het neoliberalisme. In zijn baanbrekende studie, die in 2016 in het Engels verscheen en nu in het Nederlands is vertaald, wijdt hij een lange terzijde aan de ‘pleitbezorger van de vrijemarkteconomie’. Net als de meeste andere economen beschouwde Friedman de vrijemarkteconomie als een tamelijk recent verschijnsel. Die zou in Groot-Brittannië zijn opgekomen in de 18de eeuw, toen de Industriële Revolutie voorzichtig een aanvang nam, aldus het algemeen aanvaarde verhaal, en verspreidde zich vandaar over de Verenigde Staten en Europa.

Het gaat hier om een mythe, zo laat Van Bavel zien in De onzichtbare hand, genoemd naar de metafoor van een van de grondleggers van de economische wetenschap, Adam Smith, voor de geheimzinnige, heilzame werking van de vrije markt. Al lang voor de 18de eeuw bestonden er markteconomieën, waarmee Van Bavel economieën bedoelt die niet alleen een omvangrijke markt kennen voor goederen, maar ook voor grond, arbeid en kapitaal. Drie hiervan, waarover veel documenten en statistische gegevens bestaan, neemt hij uitvoerig onder de loep: het Irak (Bagdad en verre omstreken) van de achtste tot de dertiende eeuw, de Noord-Italiaanse stadstaten als Florence vlak voor en tijdens de Renaissance en de Lage Landen van de late middeleeuwen tot en met de Gouden Eeuw. Daarnaast geeft hij ook korte overzichten van de ontwikkelingen van de markteconomieën van de twee klassieke gevallen, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.

Lees ook de column van Caroline de Gruyter: De privatisering van alles

In alle gevallen stelt Van Bavel eenzelfde patroon vast. Eerst leidt de opkomst van de markten voor grond, arbeid en kapitaal tot een ongekend grote groei van het bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking. Maar na verloop van tijd stagneert de groei. Bovendien ontstaat er een steeds groter wordende ongelijkheid: een kleine elite van succesrijke ondernemers en handelaren weet zich een steeds groter deel van het bnp toe te eigenen en bouwt enorme vermogens op. Hierdoor dalen de reële inkomens van het grootste deel van de bevolking. Zo stond in het 17de-eeuwse Amsterdam tegenover de ongekende rijkdom van een beperkt aantal kooplieden de verpaupering van een groot deel van de Amsterdammers.

In de laatste, neergaande fase van de cyclus van de markteconomie investeert de vermogende elite liever in binnen- en buitenlandse financiële producten dan in handel en werkplaatsen. In deze fase neemt, mede dankzij leningen aan de staat, ook de invloed van de elite op het staatsbestuur toe. Die neemt dan steeds meer maatregelen die gunstig zijn voor de verdere verrijking van de elite, en niet zelden juist repressief zijn voor loonarbeiders en werklozen. Met zijn vele tucht- en rasphuizen kende Amsterdam in de Gouden Eeuw bijvoorbeeld een systeem van dwangarbeid dat zijn weerga in Europa niet kende, schrijft Van Bavel.

Zo is De onzichtbare hand een weerlegging van de mythe van de markteconomie op alle punten. De markteconomie is niet een universeel modern verschijnsel dat de millennia-lange ontwikkeling van slavernij tot zzp’erschap bekroont, maar kent verschillende, oude en nieuwe vormen die altijd een cyclus laten zien van opkomst, bloei en neergang. En anders dan neoliberale economen nog altijd geloven, zorgt de vrije markt niet voor steeds toenemende welvaart, maar uiteindelijk voor grote ongelijkheid, met een kleine elite van superrijken tegenover een massa die te stellen krijgt met steeds lagere reële inkomens. Ook leidt de markteconomie niet vanzelf tot vrijheid en democratie. Integendeel, relatief egalitaire en vrije maatschappijen als de Lage Landen in de dertiende eeuw waar verschillende bevolkingsgroepen een zekere invloed hadden op het staatsbestuur, zijn een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van markten voor grond, arbeid en kapitaal. De markteconomie parasiteert op de vrijheid in plaats van die in te luiden of aan te wakkeren, schrijft Van Bavel zelfs. Hiermee lijkt zijn analyse op Het Kapitaal van Karl Marx, die opvallend afwezig is in De onzichtbare hand.

Het roer moet om

In het laatste deel van zijn studie laat Van Bavel zijn licht schijnen op de huidige ontwikkelingen in de markteconomieën van de Verenigde Staten en Europa. Met de toenemende vermogensongelijkheid die onder anderen de Franse econoom Thomas Piketty vaststelde in Kapitaal in de 21ste eeuw (2013) bevinden die zich onmiskenbaar in de laatste, neergaande fase, stelt hij vast. Historisch gezien plaatst dit de huidige economen en historici in een unieke positie. ‘Wij zijn de eersten die de neergang van de markteconomie en van de open samenleving die eraan ten grondslag ligt, niet alleen kunnen bespeuren, maar ook doorgronden, analyseren en begrijpen’, schrijft hij om vervolgens de vraag te stellen of hier ook wat tegen te doen valt. De geschiedenis geeft weinig hoop, antwoordt hij: ‘Geen van de markteconomieën is ooit in staat gebleken een correctie-mechanisme tot stand te brengen.’ De enige hoop die Van Bavel heeft, is een ‘interne golf van zelforganisatie’, hoewel hij moet toegeven dat de ‘grote, historische vormen van zelforganisatie’, zoals vakbonden, nu juist worden afgebroken. Toch vindt hij dat de organisaties van de arbeidersbeweging van honderd jaar geleden inspirerend kunnen zijn voor nieuwe, hedendaagse vormen van ‘zelforganisatie’.

In Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u legt Sander Heijne ten slotte een verband tussen de onderwerping van de overheidsdiensten aan de markt en de opkomst van het populisme in Europa en de Verenigde Staten. ‘Door de samenleving in één grote competitie te veranderen, hebben miljoenen landgenoten hun bestaanszekerheid zien verdampen’, schrijft hij. ‘Zij profiteren simpelweg niet meer van de welvaartsgroei.’ Van politieke partijen verwacht hij weinig om de welvaart beter te verdelen, want die zijn nog steeds in de ban van het neoliberalisme. Net als Van Bavel vindt Heijne dat alleen ‘zelforganisatie’ misschien uitkomst biedt. Hij besluit zijn boek dan ook met het noemen van een aantal recente succesrijke actiegroepen. Zoals die van honderden huisartsen die in 2015 in actie kwamen tegen de groeiende bureaucratie in de zorg. ‘De dokters hadden hun actie Het roer moet om gedoopt’, schrijft hij. ‘En het roer ging om.’

    • Bernard Hulsman