Recensie

Het einde van een mannenvriendschap

P.F. Thomése

In het derde boek over zijn ‘alltime favoriete personage’ eindigt Thomése’s vriendschap met Tilburger J. Kessels. Een heerlijke postmoderne rotzooi, waarin de schrijver jolig blijft en toch iets ernstigs vertelt.

Het begint met een treurige vaststelling. Kessels heeft er schoon genoeg van om het hoofdpersonage uit te hangen. Eerst stelde Thomése hem centraal in J. Kessels: The Novel (2009), over hun roadtrip over de Duitse snelwegen, op zoek naar de legendarische schoonheid BB. In Het Bamischandaal (2012) reisde Thomése Kessels achterna naar Shanghai, alweer het hoofd op hol gebracht door een ander object van hun liefde. Sindsdien is de relatie tussen de twee bekoeld. Dat had van alles met Thomése te maken, maar ook met de ongelukkige samenloop van omstandigheden. Er werd door fans een J. Kessels-fandag georganiseerd, er kwamen een film, T-shirts, asbakken. Kessels voelt zich uitgebuit.

In Ik, J. Kessels draait Thomése de zaken om. Niet Kessels, maar hij is hier het slachtoffer. In het eerste hoofdstuk wordt op zijn uitgeverij een manuscript bezorgd voor het boek Ik, J. Kessels. Maar Thomése zweert de lezer dat hij dat niet geschreven heeft. Iemand anders heeft dat gedaan. En dat zal dan wel Kessels zijn geweest, die dit keer zijn versie van het verhaal publiek wilde maken. Maar na enige bestudering lijkt de auteur de nieuwe beste vriend van J. Kessels, Peerke Sonnemans, een personage dat Thomése al eerder hinderlijk in de weg liep. En die heeft een versie van de werkelijkheid opgeschreven waarin P.F. Thomése helemaal verdwenen is. Een affront, vindt de schrijver. En hij besluit verhaal te gaan halen in Tilburg, de thuisbasis van zijn voormalige vriend.

Het is lastig bij te houden hoeveel muren tussen het publiek en de schrijver hier doorbroken worden, maar het is een heerlijke postmoderne rotzooi. Thomése voert zichzelf op als een verschrikkelijke man, een schrijver die zwelgt in het zelfmedelijden, die vloekt en tiert, zo nu en dan racistisch is of ronduit haatdragend. Maar hij is ook kritisch en bevraagt telkens zijn rol als notulist van de vriendschap. Ik, J. Kessels is een hilarisch verhaal over de misdaad die het is om als schrijver de waarheid naar je hand te zetten. Iedereen krijgt ervan langs, de schrijver zelf voorop. De enige die telkens liefdevol wordt omschreven is natuurlijk J. Kessels, de held van het verhaal, die godzijdank grotendeels uit beeld blijft.

De grappen, de vuige taal, de citaten uit blues- en countrymuziek (in zulke mate dat het op de lachspieren werkt), het omslag dat eruitziet als een gein-agenda, en het sollen met feiten en fictie doen vermoeden dat het hier een speels tussendoortje betreft. Maar Ik, J. Kessels is een kunstwerkje. De schrijver speelt met wie hier de echte verrader is en wie het slachtoffer. Daarvoor heeft hij niet ineens een ernstig hoofdstuk nodig, zijn joligheid gaat gewoon door. Thomése heeft zo veel controle als humorist, dat hij geen pauze hoeft te nemen om een uiteindelijk ernstig verhaal te vertellen over een vriendschap die ten einde liep.