600.000 Nederlanders hebben meer dan een baan - soms uit noodzaak

Sociaal-Economische Raad 7 procent van de werkenden heeft meer dan één baan. Sommigen móéten wel; over hen maakt de SER zich zorgen.

Jan Peter Peterson is docent HRM bij de opleiding International Business van NHL Stenden Hogeschool en tevens eigenaar van het Hovatec, een onderneming in innovatieve horeca vaatwastechniek. Foto Kees van de Veen

Postbezorger én schoonmaker. Verpleegkundige én gastouder. Zeker 600.000 mensen combineren meerdere banen – dat is zo’n 7 procent van alle werkenden.

Ruim tweederde van hen is daar tevreden over, staat in een rapport van de Sociaal-Economische Raad (SER), een belangrijke adviseur van het kabinet, dat deze vrijdag verschijnt. Maar een op de drie heeft liever één baan. Voor hen is het hebben van meerdere banen soms pure noodzaak. Omdat ze bij hun belangrijkste baan niet genoeg uren krijgen, of te weinig verdienen. Ongeveer 12.000 mensen verdienen met hun baantjes zelfs zó weinig dat ze amper boven bijstandsniveau uitkomen.

Dirk Lepstra (58) uit het Friese Wolvega heeft drie soorten werk. Elke ochtend staat hij om half vier op om kranten te bezorgen. Daarna stapt hij in zijn taxibusje om gehandicapten van hun huis naar zorginstellingen te brengen – ’s middags brengt hij ze weer terug. De rest van de dag verzamelt hij oud papier voor een basisschool. Het grootste deel van de opbrengst is voor de school, de rest mag hij houden.

In 2013, midden in de crisis, werd Lepstra ontslagen na tien jaar trouwe dienst als vrachtwagenchauffeur. „En boven een bepaalde leeftijd wil niemand je meer hebben, ook al ben ik zo gezond als een vis.” Lepstra haalt voldoening uit zijn werk, ook al verdient hij niet veel. „Mijn vriendin werkt ook, dus die kan bijspringen.” Zou hij liever één baan hebben? Ja, maar dan moet het wel een vaste baan zijn – hij gaat zijn huidige inkomsten niet opgeven voor een uitzendcontract. En hij heeft de hoop al opgegeven dat hij op zijn leeftijd nog een vast contract kan krijgen.

Lees ook: Ouderen zijn vaker en langer werkloos, eenvijfde werklozen is 55 jaar of ouder

‘Werkende armen’

De SER zegt nu: het zou makkelijker moeten worden voor deze mensen om voltijds aan het werk te gaan. Werkgevers die kleine baantjes aanbieden, zouden moeten samenwerken, zodat ze samen één baan kunnen aanbieden voor die verschillende soorten werk. En de overheid kan werkgevers daarbij helpen, zegt SER-voorzitter Mariëtte Hamer. „Het is belangrijk om te kijken hoe deze groep een grotere, liefst vaste baan kan krijgen.”

Het SER-rapport is gemaakt op verzoek van het vorige kabinet. Dat vroeg aan dit adviesorgaan van werkgevers, vakbonden en deskundige ‘kroonleden’ om te beschrijven wat er allemaal bekend is over mensen die meerdere banen hebben en om aanbevelingen te doen. Ook stelde het kabinet de vraag: is er een groep ‘werkende armen’ in Nederland?

Die vraag wordt niet beantwoord in het rapport. Hamer zegt dat er niet genoeg onderbouwing was om dat „zo hard te zeggen”. Maar ze voegt er direct aan toe dat er wél „indicaties” voor zijn. Ze wijst op een SER-advies dat vorig jaar verscheen. „Toen bleek dat tweederde van de kinderen die in armoede leven, gewoon werkende ouders heeft. Er komt nu een groep in beeld die niet meeprofiteert.”

In Nederland zijn relatief veel mensen met meerdere soorten werk – in Europa komt het alleen in Scandinavische landen meer voor. Dat komt doordat in Nederland zoveel deeltijdwerk en tijdelijke, flexibele banen zijn. Het aantal ‘baancombineerders’ is gestegen van 450.000 in 2005 tot zo’n 600.000 nu, volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Een deel van hen, zo’n 150.000, is nog scholier of student. In de horeca, recreatie, zorg en het onderwijs werken relatief veel baancombineerders.

Tweederde van hen doet dat uit overtuiging. Jan Peter Peterson (56) bijvoorbeeld. Hij doceert personeelsmanagement aan de NHL Stenden Hogeschool in Leeuwarden én hij heeft een bedrijf in specialistische vaatwasapparatuur voor de horeca. Hij vindt het „hartstikke mooi” om vanuit de zekerheid van een vaste lerarenbaan te kunnen ondernemen. „En ik haal er voldoening uit om met studenten praktijkvoorbeelden te kunnen delen.”

Lees ook: Bouwvakker, beveiliger en opgieter tegelijk.

Ingewikkelde regels

Peterson wordt op twee vaste dagen ingeroosterd voor lessen, de rest van de week is hij flexibel. Dat werkt prima, zegt hij. „Het is nog nooit voorgekomen dat ik opeens weg moest als er een klas op me zat te wachten.”

Ook voor deze tevreden baancombineerders kan er wat verbeterd worden, volgens de SER. Werkgevers kunnen meer begrip tonen voor hun werknemers die banen combineren. Als iemand twee werkgevers heeft, kunnen die bijvoorbeeld niet allebei eisen om op Eerste Kerstdag te werken. En de overheid kan een aantal belastingregels voor baancombineerders simpeler maken. Ook is het lastig dat deze mensen twee bedrijfsartsen hebben, die tot verschillende conclusies kunnen komen.

De SER beschrijft wel wát er beter kan, maar gaat niet uitgebreid in op hóe dat dan moet. Daar heeft het kabinet niet om gevraagd, zegt Hamer. Bovendien kom je dan al snel terecht in „een veel breder gesprek over de arbeidsmarkt en hoe je banen vaster kunt maken”. Het is bekend dat werkgevers en vakbonden, samen vertegenwoordigd in de SER, daar verschillend over denken. Hamer zegt vooral dat zulke brede adviezen te ver zouden voeren voor dit rapport. „Op een gegeven moment moet je een punt zetten.”

    • Christiaan Pelgrim