Recensie

Als samengebalde achtbaanrit werkt Widmanns opera wél

Klassiek Jörg Widmann stelde een orkestsuite samen uit zijn topzware opera ‘Babylon’. Als achtbaan van een halfuur is de ‘Babylon-Suite’ een meeslepende gebeurtenis.

Franz Welser-Möst voerde al vaker werk van Widmann uit. Foto Julia Wesely

Vorig jaar beleefde de drie uur durende opera Babylon (2012) van Jörg Widmann zijn Nederlandse première. Geen onverdeeld genoegen: het libretto van filosoof Peter Sloterdijk was topzwaar en dramatisch niet effectief, de muziek kampte met overgewicht. Vervolgens stelde Widmann uit Babylon een instrumentale orkestsuite samen, waarvan het Concertgebouworkest (een van de opdrachtgevers) woensdag de eerste Nederlandse uitvoering gaf. Wat bleek: als samengebalde achtbaanrit van een halfuur is de Babylon-Suite een meeslepende gebeurtenis.

Net als zijn leermeester Hans Werner Henze (van wie deze week het oratorium Das Floß der Medusa te zien is bij DNO) beschikt Widmann (1973) over een feilloos zintuig voor ritme en dramaturgie. De Babylon-Suite bewoog abrupt van woeste atonaliteit naar zwoele romantische pastiche, tekenfilmmuziek, carnaval, unheimische walsjes, alles even virtuoos en flamboyant getekend. Maar ook al is de suite een ratjetoe van stijlen en sferen, bevrijd van Sloterdijks plot kwam het betoog van de muziek juist veel dwingender over. Bovendien componeert Widmann – zelf meesterklarinettist – vóór musici: het orkest speelde zijn noten superieur en leek daar zelf intens van te genieten.

Franz Welser-Möst, die woensdag het Concertgebouworkest dirigeerde, voerde met zijn Cleveland Orchestra al vaker werk van Widmann uit in Amsterdam. Hij deed dat zelfs al eens, net als nu, in combinatie met de Vijfde symfonie van Beethoven – Welser-Möst programmeert bijzonder consequent. Het ‘Andante’ bewoog wel erg statig, maar had een romige strijkersklank om van te smullen. De hoekdelen waren spetterend maar gedoseerd, met de uitgesponnen finale, vol veerkracht, passie en helderheid, als hoogtepunt.

Waar de muzikale inhoud in de Vijfde smaakvol over de rand kolkte, sloeg ze in een ander Beethoven-werk dood. Welser-Möst had zelf een orkestarrangement van de Grosse Fuge, op. 133 gemaakt, zodat hij grotere dynamische contrasten kon realiseren. Aardig bedacht, maar de opwinding van Beethovens strijkkwartet verdween in die veel te grote jas.

    • Joep Stapel