Minder proefdieren door stamcellen en hergebruik

Experimenten

Het aantal gebruikte proefdieren neemt duidelijk af in Nederland. Door beter management en door betere alternatieven.

Minder dierproeven

Het proefdiergebruik in Nederland neemt af. In 2016 werden er in totaal 449.874 dierproeven in Nederland uitgevoerd. Dat zijn 78.285 (bijna 15 procent) minder dierproeven dan in 2015. Dat blijkt uit het jaarlijkse rapport ZoDoende dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) deze week publiceerde.

De muis is nog altijd verreweg het populairste proefdier in het biomedisch onderzoek, maar het aantal proeven met deze dieren daalt de laatste jaren heel snel. In 2016 werden er 161.978 muizen gebruikt in het onderzoek; twee jaar daarvoor waren dat er nog bijna dubbel zo veel (277.505). Een deel van die daling is te verklaren door dubbel gebruik, dieren die al werden ingezet voor een experiment worden daarna 'hergebruikt' voor bijvoorbeeld onderwijsdoeleinden. In het aantal dierproeven telt dat dan twee keer maar in aantal gebruikte proefdieren niet. Zo’n 10.000 proefdieren werden op deze manier vaker gebruikt.

De spectaculaire daling van het aantal muizen in het proefdieronderzoek lijkt ook te zijn veroorzaakt door de nieuwe mogelijkheden die het stamcelonderzoek biedt. Door geavanceerde kweektechnieken van cellen is het soms niet meer nodig om dieren te ‘offeren’ voor een proef. Uit stamcellen kunnen onderzoekers grote hoeveelheden van de gewenste cellen opkweken, die bovendien eenvoudig genetisch gemanipuleerd kunnen worden om moleculaire processen in de cel te bestuderen.

„Een verminderd gebruik van proefdieren is geen gemis – integendeel”, zegt onderzoeker Roeland Hanemaaijer van TNO in Leiden. Hanemaaijer onderzoekt hoe vervetting van de lever uiteindelijke leidt tot leverfibrose. Het doel is een geneesmiddel te vinden dat fibrose voorkomt. Het onderzoek daarnaar werd tot voor kort gedaan met proefdieren, maar zoals vaak in de geneesmiddelenontwikkeling bleek het resultaat in patiënten uiteindelijk tegen te vallen. Daarom pakt Hanemaaijer het nu heel anders aan. Hij heeft in samenwerking met de farmaceutische industrie een zogeheten organ-on-a-chip ontwikkeld. Omdat hij nu werkt met stamcellen, heeft hij nog maar heel weinig proefdieren nodig, en kan hij straks mogelijk helemaal zonder als hij direct stamcellen van patiënten gebruikt.

De Nederlandse overheid wil wereldwijd koploper te worden in „proefdiervrije innovatie”. In 2025 moet Nederland het vrijwel zonder proefdieronderzoek kunnen stellen.