Recensie

In the future smaakt telkens weer heerlijk

Foto Michel Schnater

In de vijf jaar dat Junior Company bestaat heeft de ‘brugklas’ voor aankomende dansers zich ontwikkeld tot een vaste waarde. Voor het gezelschap als kweekvijver, voor het publiek als aanbieder van lichte, vrolijke balletvoorstellingen.

En vrolijkheid verschaft In the future (1986) van Hans van Manen zeker. De opbouw is strak, met twee hoekdelen voor het twaalfkoppige ensemble en een middendeel waarin, analoog aan de muziek van David Byrne, danseressen traag slagzij maken. Subtiel doseert Van Manen geestige bewegingsdetails om pas in de laatste minuut het oogverblindende contrast in de nauwsluitende kostuums van Keso Dekker (gifgroen voor, knalrood achter) optimaal te exploiteren voor een onontkoombaar slotakkoord.

In the future, nog niet helemaal strak uitgevoerd, is een echt ensemblewerk waarin less weer eens more blijkt. Zeker in vergelijking met de oneindige stroom passen, hoge en nog hogere benen, wellustig uitgestoken heupen, soms pittig partnerwerk et cetera in Fingers in the air. Dit nieuwe werk van Juanjo Arquéz wordt van enige structuur voorzien doordat het publiek drie keer met een rood of een groen lampje de choreografie mag ‘beïnvloeden’ en kiezen tussen vrouwen of mannen, solo of duet, zonder of met lampje. Dat klinkt radicaler dan het is, want uiteindelijk worden toch alle delen gebruikt, en het gewenste einde (met lampjes) wordt met een trucje gegarandeerd. Desondanks is Fingers in the air een lollig instapballet, licht en vrolijk.

Dat is ook de sfeer in Napoli (1864), een oerklassiek ballet van August Bournonville waaruit diverse delen worden gedanst. Een soms te grote aanslag op de technische vermogens van de jonge dansers, onder wie vooral Michele Esposito zich onderscheidt.

    • Francine van der Wiel