Het gat in de markt is nog niet gevonden

Marktkooplui In tien jaar halveerde het aantal ondernemers op de markt. Kramen moeten bieden wat de supermarkt of webwinkel niet heeft: aandacht en gezelligheid.

Kousen op de Grote Markt in Haarlem. Het aantal kramen met textiel en kleding neemt af. Foto ANP

Proeven. Sfeer. Ambacht. Beleven. Passie. Daarvoor zouden Nederlanders weer naar de markt moeten komen. Een kwart van de Nederlanders komt er nooit, zo blijkt uit het rapport ‘Proeven en ontmoeten’ van de Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel (CVAH), dat dinsdag in Almelo werd gepresenteerd. Volgens voorzitter Henk Achterhuis is het aantal ondernemers op de markt in tien jaar tijd gehalveerd. En werd begin deze eeuw nog 4 procent van de hele omzet van de detailhandel op de markt behaald, nu is dat 2 procent. Heeft de marktkraam nog toekomst?

Lees ook: Hoe kan het eigenlijk dat markten nog steeds bestaan?

„Je moet met de tijd meegaan.” Jaap Davidson (54) staat op zaterdagen met een groentekraam in het Noord-Hollandse Bergen. „Ik heb avocado’s en frambozen in mijn kraam liggen, dat was twintig jaar geleden ondenkbaar. Voor een krop sla komen de mensen niet meer. Misschien koop ik ook wel zo’n smoothie-apparaat.”

Ook visboer Jos Lijnzaat heeft zijn assortiment aangepast. „Alles moet op broodjes tegenwoordig, en ik heb drie soorten garnalen. Drie!” Zijn kraam staat al veertig jaar op dezelfde plaats, op de Grote Markt in Haarlem. Als puber moest hij zaterdag zijn vader helpen met de kar, terwijl zijn vriendjes gingen voetballen. Inmiddels is hij 74 en staat hij er nog steeds, maar wel alleen op maandag. De andere dagen runt zijn dochter de zaak. De oude haringkar heeft hij nog, daarmee staat hij op bedrijfsfeestjes. Op de markt verkoopt hij vanuit een grote wagen, met frituurpannen voor de kibbeling.

„Kan ik hier pinnen?” Een broodje makreel. „Natuurlijk.” Lijnzaat houdt het pinapparaat trots omhoog. „De helft van mijn betalingen gaat met pin.”

Probleem bij non-food

Vis- en groenteboeren doen het samen met alle andere kramen in de food-sector goed op de markt. In de afgelopen tien jaar zijn er zelfs 1.000 bedrijven bijgekomen. Volgens het rapport van de CVAH zit het probleem bij non-food, zoals textiel en kleding, en tweedehands artikelen. Daar zijn in dezelfde periode respectievelijk 500 en 300 ondernemingen verdwenen. Kledingkramen lijden ook onder de komst van goedkope kledingwinkels als Primark. Ze kunnen niet op tegen de schaalvoordelen van deze giganten, die niet alleen groter en goedkoper kunnen inkopen, maar ook veel sneller hun assortiment kunnen vernieuwen en aanpassen. Hetzelfde geldt voor webwinkels als Bol.com, waar mensen telefoonhoesjes of opladers spotgoedkoop thuis kunnen laten bezorgen.

Tegenover Lijnzaats viskraam zit Peter Crijns achter zijn stoffen. Dertig jaar geleden zette hij op de lappenmarkt zijn kraam op. De lappenmarkt op maandag was nog groter dan de weekmarkt op zaterdag. Inmiddels heeft de zaterdagmarkt de lappenmarkt ingehaald, en is Crijns de enige die nog stoffen verkoopt. Het zijn geen makkelijke tijden. „Ik heb wel eens gedacht, moet ik iets anders doen? Maar ik ben inmiddels 62. Je kunt met een marktkraam ook niet een paar dagen per week iets anders doen. Dan haal je de kosten er nooit uit.”

„De paradox is dat marktverkopers minder flexibel zijn dan hun afbreekbare kraampjes suggereren”, zegt Jacqueline van Koningsbrugge. Zij werkt bij adviesbureau MRKT, dat markten door heel Nederland helpt om zich aan te passen aan de moderne tijd. „Veel markten zijn gebrancheerd, dat betekent dat in de vergunning staat wat voor producten een bepaalde kraam mag verkopen. Dan kun je niet zomaar iets anders doen. Overigens is dat niet per se slecht. Denk aan de hype rond waveboards. Een kraam heeft er succes mee, en drie andere ondernemers willen ze ook aanbieden. Tegen de tijd dat ze in de kraam liggen is de hype alweer voorbij en ligt de halve markt er vol mee. Daar schiet zowel de ondernemer als de consument niks mee op.”

Een ander probleem is de vergrijzing. Van de kraameigenaren is meer dan de helft vijftigplusser, ruim 10 procent ouder dan 65. Dat komt voor een deel door de anciënniteit op de wachtlijsten. Van Koningsbrugge: „Als er een plaats vrijkomt voor een kraam, kijken de meeste gemeenten naar wie er het langst op de wachtlijst staat. Ze zouden meer moeten kijken naar welke kraam iets toe te voegen heeft aan het assortiment.”

Persoonlijke aandacht en lokale producten

Toch liggen er volgens het CVAH nog genoeg kansen om de markt toekomstbestendig te maken. De markt moet bieden wat een Jumbo of Primark niet heeft: persoonlijke aandacht en ambachtelijke en lokale producten. Er is nog ruimte voor de markt als ontmoetingsplek, waar mensen kunnen samenkomen om een biertje te drinken of kaas te proeven. Ook de non-foodsector is wat CVAH betreft niet ten dode opgeschreven, maar moet zijn aanbod beter aanpassen aan het publiek. Jonge mensen halen een t-shirt liever bij de H&M, maar kijken op de markt wel naar handgebreide sloffen. Komen er vooral oudere mensen, dan is een kraam met krulspelden en schoenlepels misschien wel relevant.

„Soms zie je letterlijk een gat in de markt”, zegt van Koningsbrugge. „Dan is er ruimte tussen twee kramen. Als je handig schuift en je laat dat gat voor een café vallen, heb je ruimte voor een terras.”

Lees ook dit interview met marktkramers: ‘Mijn opa, mijn vader, mijn oom – allemaal zitten ze in de kaas’.