De vreselijke foto van twee Syrische kindjes blijkt in scène gezet

Oorlogsfotografie Persbureaus AFP en EPA sturen dagelijks foto’s uit het belegerde Oost-Ghouta in Syrië. Hoe betrouwbaar zijn die? (Let op: dit artikel bevat schokkende beelden)

Bij een luchtaanval omgekomen Syrische kinderen in Oost-Ghouta zijn door activisten in VN-zakken gestopt, als aanklacht tegen de Verenigde Naties. 4 maart 2018 Foto Mohammed Hasan/AFP

In NRC stond vorige week een schokkende foto van twee dode kinderen die in zakken van de Verenigde Naties zijn gestopt. Die zakken worden doorgaans gebruikt voor hulpgoederen. De foto komt uit het Syrische Oost-Ghouta dat wordt gebombardeerd door het regeringsleger van president Assad.

NRC wist het niet, maar deze foto is geënsceneerd, zo melden het Europese persbureau EPA en Amerikaanse zender CNN. De kinderen zijn daadwerkelijk omgekomen bij een luchtaanval, maar zijn vervolgens door plaatselijke activisten in de zakken gestopt, als aanklacht tegen de VN, die volgens hen zouden moeten ingrijpen. Een geënsceneerd ‘persmoment’ dus. EPA meldt dit wel in het onderschrift, maar het Franse persbureau AFP, van wie NRC de foto overnam, meldt het niet. Terwijl het wel relevant is, zeker in de propaganda-oorlog die woedt rondom Syrië. Schokkende foto’s of video’s kunnen de buitenlandse bemoeienis beïnvloeden.

Wanneer een stad in oorlog wordt belegerd, droogt doorgaans de stroom nieuwsfoto’s snel op. Maar uit het belegerde Oost-Ghouta komt een flinke stroom foto’s binnen. De persbureaus Reuters en AP sturen foto’s van enige afstand, waardoor je veel context ziet: je kunt eruit afleiden waar het is, wat de betrouwbaarheid vergroot. EPA en AFP sturen schokkende foto’s van zeer dichtbij, van opvallend veel gewonde en dode kinderen. Op de foto’s is niet te zien waar ze zijn genomen. Dat roept vragen op. Hoe kan het dat uit een gebied dat gebombardeerd wordt, toch zulke goede foto’s komen? Opereren de fotografen wel onafhankelijk genoeg van de rebellen die het gebied beheersen?

Gewonde Syrische jongen wordt behandeld in een provisorisch ziekenhuis, na een luchtaanval op Hamouria, Oost-Ghouta. 5 maart 2018. Foto Abdulmonam Eassa / AFP

‘Nazi-regime pleegt genocide’

Christian Chaise, chef Midden-Oosten en Noord-Afrika van AFP op Cyprus, geeft desgevraagd toe dat het persbureau met de foto van de kinderen in VN-zakken een fout heeft gemaakt: „Het onderschrift was incompleet en we konden geen contact krijgen met de fotograaf. Omdat de authenticiteit van de foto verder wel gewaarborgd was – het klopte dat die kinderen slachtoffer waren van een luchtaanval – en de nieuwswaarde groot was, hebben we hem toch gepubliceerd, met een algemeen onderschrift. Pas later begrepen we dat het om een protestactie ging. Dat hebben we toen alsnog in het onderschrift gezet.” Chaise wil er graag op wijzen dat hij dagelijks honderden foto’s binnenkrijgt.

Eén van de fotografen, Amer Almohibany, een freelancer voor AFP, post op Twitter stevige opinies over de belegering. Hij noemt het „Russisch terrorisme” dat gelijk staat aan IS-terrorisme. Over Assads troepen schrijft hij: „Het leger van het nazi-regime beoefent genocide.” Niet de taal van een onafhankelijke journalist die onbevooroordeeld verslag doet. Over de foto met de kinderen in VN-zakken sneert Almohibany: „Onze excuses aan de VN voor het gebruik van hun motto om onze kinderen te bedekken.” De journalist gebruikt hier „wij” en „onze” – hij beschouwt zichzelf blijkbaar als onderdeel van de burgerslachtoffers.

Over de commentaren op Twitter zegt Chaise (AFP) dat dit niet onder zijn verantwoordelijk valt, zolang ze niet in het onderschrift van de foto staan: „Deze fotografen zijn freelancers, we kunnen ze niet tegenhouden om hun mening te geven op Twitter en we zijn er op geen enkele manier verantwoordelijk voor.” Chaise wijst erop dat hij ook fotografen heeft in Damascus, die in regeringsgebieden werken. „We laten beide kanten van het conflict zien.”

Amel Pain, chef Midden-Oosten voor EPA in Libanon, heeft een verklaring voor de vele kinderfoto’s. Haar persbureau werkt met één fotograaf in het gebied, Mohammed Badra, en die was in een ziekenhuis waar de volwassen gewonden en de artsen en verplegers niet herkenbaar in beeld wilden. Pain: „De regering beschouwt alle achterblijvers in het gebied als terroristen, dus ze lopen risico.” Dat de foto’s weinig van de omgeving lieten zien, was volgens Pain ook bewust: „Ook het ziekenhuis mocht niet herkenbaar zijn, wegens het risico om gebombardeerd te worden.” Volgens Chaise van AFP mogen van de salafisten die het gebied in handen hebben, vrouwen niet gefotografeerd worden, waardoor veel overzichtsfoto’s onmogelijk zijn.

Chaise zegt verder dat er domweg veel kinderen in Oost-Ghouta zijn; één op de vier bewoners is onder de achttien. Er zijn dus ook veel kinderslachtoffers. Chaise stuurt een grafiek waaruit blijkt dat in de burgeroorlog reeds 20.000 kinderen zijn omgekomen: één op de vijf burgerslachtoffers is een kind.

Abdulmonam Eassa / AFP

Lid van een Syrische burgerwacht draagt een kind uit het puin na een luchtaanval op Jisreen in het belegerde Oost-Ghouta. 8 februari, 2018. Foto Abdulmonam Eassa / AFP

Plaatselijke fotografen zijn noodzaak

Dat de persbureaus met een netwerk van lokale, jonge verslaggevers en journalisten werken, heeft een duidelijke reden: voor westerse journalisten en fotografen is het te gevaarlijk geworden om in Syrië te werken. Pain (EPA) wijst op de ontvoeringen van journalisten in het oorlogsgebied. De persbureaus bouwden daarom een netwerk op van lokale vaste krachten. AFP werkt met meerdere freelancers in Oost-Ghouta, onder hen bovengenoemde Eassa, en Hasan Mohammed, die ook foto’s maakte van de kinderen in de VN-zakken.

Amel Pain van EPA zegt dat haar fotograaf Badra „voor honderd procent” te vertrouwen is. Badra, die ook de kinderen in de VN-zakken fotografeerde, is sinds 2015 in vaste dienst van EPA. Foto’s stuurt hij gewoon per internet, want de verbinding is intact. Hoewel Badra een reportage maakte van een trainingskamp van Jaish al-Islam, is hij volgens Pain niet verbonden aan deze salafistische opstandelingen. Volgens haar heeft Badra nooit deel uitgemaakt van een van de strijdende partijen („Hij heeft zelfs nooit gedemonstreerd”), en is hij tegen zijn zin in zijn geboortestad Douma vast komen te zitten.

Pain van EPA zegt dat ze aanvankelijk tegen het idee was om lokale fotografen te gebruiken, wegens het risico van partijdigheid, maar dat het systeem in de praktijk goed werkt. Volgens haar ben je als journalist in de Syrische burgeroorlog sowieso gedwongen om embedded te zijn – onder de vleugels van een van de strijdende partijen. Pain vindt dat de fotograaf wel altijd moet vermelden onder wiens controle hij de foto’s maakt. Zowel Pain als Chaise zijn juist erg blij met de lokale fotografen omdat ze het gebied goed kennen, en omdat we anders geen duidelijk beeld van de oorlog zouden hebben. Pain: „Dit is beter dan helemaal wegblijven.”

    • Wilfred Takken