Grunberg: de kunstenaar hoeft geen heilige te zijn

#ArtToo: Woody Allen

Kunnen we nog van de films van Woody Allen genieten sinds hij beschuldigd is van misbruik van zijn jonge stiefdochter? Esthetische en morele oordelen zijn vermoedelijk niet te scheiden. Niet bij Allen en niet bij andere kunstenaars. Maar kunst kan niet bestaan zonder ruimte voor morele ambiguïteit.

Woody Allen en andere spermatozoïden in Allens film uit 1972 Everything You Always Wanted to Know About Sex* (*But Were Afraid to Ask). Voor een ongecensureerde blik: klik op de afbeelding.

Op 31 januari van dit jaar publiceerde filmcriticus A.O. Scott in The New York Times een inmiddels veelbesproken essay onder de kop Mijn Woody Allen-probleem. Scott heeft de meeste Woody Allen-films gezien, niet altijd maar dikwijls met genoegen. Het proza van Allen dat hij van zijn ouders voor Kerstmis kreeg, maakte zelfs nog meer indruk op hem dan de films. Nu vraagt Scott zich af of hij nog onbekommerd van Allens werk kan houden sinds bekend is geworden dat Dylan, een door Mia Farrow geadopteerd meisje over wie Woody Allen voogdijschap had, op 7-jarige leeftijd door Allen misbruikt zou zijn.

Die beschuldigingen zijn niet nieuw, dat schrijft Scott zelf ook overigens. In 1992 doken ze voor het eerst op en op 1 februari 2014 schreef Nicholas D. Kristof een column in The New York Times met de kop Dylan Farrows verhaal, waarin hij Allen namens Dylan aanklaagt. Dylan wordt door Kristof geciteerd. Ze stelt dat de prijzen en erkenning die Woody Allen ontving en bleef ontvangen haar het gevoel gaven dat haar het zwijgen werd opgelegd. („For so long, Woody Allen’s acceptance silenced me. It felt like a personal rebuke, like the awards and accolades were a way to tell me to shut up and go away.”)

Na publicatie van deze column gebeurde er weinig. De ombudsman van The New York Times schreef over de kwestie, Allen zelf publiceerde een opiniestuk in de krant, waarin onder andere stond: „Natuurlijk heb ik Dylan niet misbruikt.” Hij vervolgde met de opmerking dat hij van Dylan hield en dat hij hoopt dat ze op een dag zal begrijpen dat ze door haar moeder, Mia Farrow, beroofd is van een liefhebbende vader. („Of course, I did not molest Dylan. I loved her and hope one day she will grasp how she has been cheated out of having a loving father and exploited by a mother more interested in her own festering anger than her daughter’s well-being.”) Hij besloot met de opmerking dat hij nooit meer op deze kwestie wenste terug te komen.

Maar toen kwam zoals bekend #MeToo. Het verhaal van Dylan kreeg opnieuw aandacht, acteurs verontschuldigden zich voor hun optredens in Woody Allens films (Mira Sorvino) of gaven het geld dat ze hadden verdiend met spelen in de meest recente Woody Allen aan goede doelen (Thimothée Chalamet en Rebecca Hall). Amazon, die zijn films distribueert, aarzelde of de nieuwe film nog wel moest worden uitgebracht en A.O. Scott schreef zijn veelbesproken stuk. Het Woody Allen-probleem leek toch eerst en vooral een probleem voor Allen zelf.

Zoals Dana Linssen in De Filmkrant (maart 2018) opmerkte, is het feit dat Allen niet veroordeeld is geen argument om discussies over deze affaire – dat woord is inmiddels op zijn plaats – te beëindigen. Linssen schreef: „Het probleem is dat het strafrecht niet zoveel kanten op kan met gevallen van seksueel misbruik; slachtoffers doen vaak niet direct aangifte, bewijs en getuigen ontbreken. Het recht en de noodzaak van slachtoffers om gehoord en geloofd te worden, staat haaks op dat van de vermeende daders om zich te kunnen verdedigen.”

De fantasie is vrij, die van de oude, geile bok, maar ook die van de pedofiel en de fascist

Zeker, slachtoffers durven soms geen aangifte te doen, juist ook omdat de dader dikwijls een vriend of familielid is, en een rechtszaak kan voor een slachtoffer een nieuwe traumatiserende ervaring betekenen. Dat neemt niet weg dat wij nog niet zeker weten of Dylan daadwerkelijk door Woody Allen is misbruikt en het is een goede traditie in beschaafde samenlevingen dat men onschuldig is tenzij anders bewezen. Daarnaast zijn, voor zover mij bekend, dergelijke beschuldigingen niet ook door andere personen tegen Woody Allen geuit.

Utopie

Maar daarmee is de zaak inderdaad niet afgedaan, want zoals zowel Linssen als Scott schrijft: het gaat ook om het werk. Niet alleen dat van Allen, #MeToo is groter dan deze regisseur. Hoe portretteert Hollywood bijvoorbeeld vrouwen, of zoals Linssen schrijft: „Zo lang Hollywood geen oog krijgt voor de verhalen van anderen, en de manier waarop het seksualiteit, macht en de eeuwige jeugd erotiseert, zal er weinig veranderen.”

Er loopt hier wat door elkaar en dat moet van elkaar gescheiden worden om een zuivere discussie te voeren. Om te beginnen is er de vraag: wat is de taak van kunst in het algemeen en die van de filmkunst in het bijzonder? Moet de kunstenaar de wereld tonen zoals die zou moeten zijn of zoals die in zijn ogen is, dat wil zeggen noodzakelijkerwijs onvolmaakt? Natuurlijk zou het prachtig zijn als de ouderdom net zo zou erotiseren als de jeugd en dat een nobele inborst de ander net zo geil zou maken als macht en geld, maar dat utopische tijdperk is nog niet aangebroken. Veel mensen zijn gevoelig voor zaken waarvoor ze misschien, moreel gezien, niet gevoelig zouden moeten zijn. De kunstenaar mag het voortouw nemen om de utopie naderbij te brengen, maar een verplichting zou dat niet moeten zijn. En een revolutionaire inborst is geen garantie voor goede kunst.

Verder moet hier nog eens worden benadrukt dat de fantasie vrij is. In The Washington Post beschrijft Richard Morgan hoe hij dozen vol met ongepubliceerd materiaal, aantekeningen en voorstudies voor verhalen en films van Allen heeft bestudeerd. Allen had dit materiaal, 56 dozen, aan Princeton University gegeven. Morgan schrijft: „Allens werk is ronduit boers. Uit al deze dozen blijkt een onophoudelijke en intense obsessie met jonge vrouwen en meisjes.”

Wij mogen deze obsessie onplezierig vinden, maar een bewijs voor misbruik is dat nog steeds niet, temeer daar de voorbeelden die Morgan geeft niet overtuigend zijn. Zo schrijft Allen in een verhaal: „The shiksa will perform any sex act.” (‘De niet-Joodse vrouw is op seksueel gebied tot alles bereid.’) Dat is niet waar, er zijn genoeg niet-Joodse vrouwen die niet tot alles bereid zijn, ook niet op seksueel gebied. Ook zijn er door Allen wel mooiere zinnen geschreven. Moet uit dit en andere voorbeelden die Morgan geeft de schuld en/of slechtheid van Woody Allen blijken?

Een kunstenaar beoordeel je bovendien niet op het werk dat hij terzijde heeft geschoven, dat hij niet heeft gepubliceerd. Misschien ís Allen een ouwe, geile bok. Wij mogen dergelijke personen onsmakelijk vinden, maar nogmaals, de fantasie is vrij, van de oude, geile bok, maar ook die van de pedofiel en de fascist.

Morele ambiguïteit

Scott beperkt zich gelukkig wel tot gepubliceerd materiaal, maar ook zijn voorbeelden overtuigen niet. Goed mogelijk dat Manhattan (1979) een overschatte, niet zo grappige film is, maar niet omdat het Allen-personage liefde opvat voor een meisje dat misschien te jong is.

Woody Allen met Mariel Hemingway in zijn film Manhattan (1979).

Is het alleen omdat Nabokov van niets beschuldigd is dat wij Lolita niet napluizen op onwenselijk gedrag van de personages? Zijn sommige kunstenaars te dood dan wel te heilig om voor een dergelijk moreel-hygiënisch onderzoek in aanmerking te komen? Of zijn schilderijen en films heden ten dage zichtbaarder dan de literatuur? Blijft de literatuur vooralsnog buiten schot omdat zij niet meer serieus wordt genomen? Is De Sade daarom niet opnieuw verwijderd uit de bibliotheek?

Natuurlijk kan de criticus, de kijker, de lezer, zeggen: dit boek, deze film is seksistisch, racistisch of antisemitisch, maar we kunnen de neiging kennelijk niet weerstaan de in onze ogen onwenselijke uitspraken of daden van een personage te verwarren met intenties van de bedenker of maker, wat niet wegneemt dat het afbeelden van een gebeurtenis vaak het verheerlijken ervan betekent. Wie de gruwelen van een oorlog in een film afbeeldt, zal gewild of ongewild die oorlog ook verheerlijken, zelfs als het de bedoeling was om een anti-oorlogsfilm te maken.

Milan Kundera stelde dat de morele ambiguïteit een kenmerk is van de roman en wat mij betreft geldt dat niet alleen voor de roman maar voor kunst an sich. Het staat iedere kunstenaar vrij met zijn werk de lezer of kijker te willen stichten, maar ik wil zelf liever niet gesticht worden noch stichten. Om te beginnen omdat, zoals de socioloog Goudsblom schreef, iedereen die de kleuterschool heeft afgemaakt wel de meeste morele lessen geleerd heeft. Bovendien is het eerder de taak van kerk en religie te stichten dan van kunst.

De kunstkritiek hoeft dus de moraal niet achterwege te laten. Kunstkritiek ís in praktijk ook moraalkritiek, in veel recensies lopen esthetische en morele oordelen ongemerkt door elkaar en die zijn vermoedelijk ook niet te scheiden. Wie niet tegen het wereldbeeld van een schrijver of filmmaker kan, zal zijn weerzin ook ervaren als esthetische tekortkoming van de schrijver of regisseur. En de schrijver kan bijvoorbeeld esthetische middelen inzetten om zijn voor sommigen misschien minder aangename wereldbeeld draaglijk te maken.

Hoewel moraal dus een rol speelt in de beoordeling van kunst zou deze niet het eerste en belangrijkste criterium moeten zijn, omdat dan geen recht wordt gedaan aan de ook wat mij betreft noodzakelijke morele ambiguïteit van het kunstwerk.

En is het reëel te verwachten dat de schepper van die morele ambiguïteit zelf aan de ambiguïteit ontsnapt? Lijden wij niet aan de misschien onbewuste gedachte dat de kunstenaar een heilige moet zijn?

Dit geldt niet alleen voor zedenzaken. Mij leek bijvoorbeeld de opwinding rond de onthullingen over het verleden van Lucebert – hij flirtte als jongeman in brieven met nazisme en antisemitisme – nogal overdreven, zeker als je weet wat er heden ten dage op sociale media wordt gepubliceerd, vaak door personen die nog enige achting genieten ook. De onthulling van Günter Grass zelf dat hij lid was van de Waffen-SS heeft een ander licht geworpen op zijn leven als publieke intellectueel en moreel geweten van het naoorlogse Duitsland, niet in de laatste plaats op zijn felle anti-Israëlgedichten, maar mijn waardering voor zijn romans is door zijn onthulling onveranderd gebleven.

Stenigen

Rest de vraag of het laten gelden van identiteitspolitiek in de kunst een zegen is, want in navolging van deze en andere affaires gaat het niet alleen meer om hoe de zogenaamde werkelijkheid wordt afgebeeld, maar ook wíé er worden afgebeeld en vooral hoe dat gebeurt en door wie.

Hoe minderheden worden geportretteerd in kunstzinnige producties kan veelzeggend zijn, inzicht verschaffen in machtsverhoudingen, maar ik geloof dat wij ons verre moeten houden van het tellen of er genoeg Hindoestanen zitten in Hollywoodproducties gezien het percentage Hindoestanen in Amerika. Ik zie de kop al voor me: Joden weer zwaar oververtegenwoordigd in Nederlandse romanpersonages. Willen wij echt door het oog van de rassenwetten naar de kunst kijken in naam van de emancipatie?

Zoals gezegd dienen seksisme, racisme en antisemitisme ook in de kunst te worden benoemd en ze moeten zo nodig worden bestreden, maar wie de morele ambiguïteit van kunst niet verdraagt in naam van zijn al te nobele wereldbeeld is een bestrijder van die kunst.

Zeker, de slachtoffers moeten gehoord en serieus genomen worden, ook als de daders niet veroordeeld zijn en misschien niet veroordeeld kunnen worden. De fatsoenlijke maatschappij echter geeft ook de dader spreekrecht en als ons nog altijd breed gedragen bezwaar tegen de doodstraf meer is dan een praktisch bezwaar betekent dat dat wij ook de ergste daders niet volledig tot hun wandaden moeten willen reduceren.

#MeToo was als een etterende puist die is opengebarsten, een opluchting voor velen, al is het naïef te denken dat daarmee het probleem zou zijn overwonnen. Mensen, niet in de laatste plaats mannen, zullen altijd weer manieren vinden om zich als seksueel roofdier te gedragen, ook binnen de grenzen van het strafrecht. Maar het vernederen, haten, ridiculiseren van daders en vermeende daders is noch slachtofferhulp noch empathie.

#MeToo was geen religieus moment, geen Mariaverschijning waardoor de ogen van de onwetenden werden geopend en wij plotseling begrepen wat bijvoorbeeld het werk van Woody Allen werkelijk waard is. Wie dat ervan maakt, doet onrecht aan #MeToo en strooit het zand van de morele zelfgenoegzaamheid in eigen en andermans ogen, het zand dat zo graag gestrooid wordt door hen voor wie stenigen een guilty pleasure is.

    • Arnon Grunberg