Opinie

    • Joyce Roodnat

Brr… seks! Gauw, een vijgenblad!

Joyce Roodnat Seks zit in zwaar weer, ziet Joyce Roodnat: alleen al menselijk naakt gaat nu door voor zedeloze engigheid.

Tamar van den Dop in De hereniging van de twee Korea’s. Foto Sanne Peper

Zelfs een struisvogel steekt zijn kop niet in het zand, las ik laatst. Maar de mens wel. Die doet aan struisvogelpolitiek: als ik het niet zie, dan is het er niet. De goeie kunstenaar trekt die koppen weer uit het zand. Die laat iets zien en dan is het er wel, of je wilt of niet. Wegduiken is er niet bij.

In de kunsten ‘mogen’ geweld, bloed en wreedheid worden opgeroepen. Rotstreken, pesten, moord als heldendaad. Maar seks zit in zwaar weer. Seks is zelfs zo bedreigend dat alleen menselijk naakt al doorgaat voor zedeloze engigheid. En niet de censor maakt uit waar de grenzen liggen, maar het ontstelde publiek. Regels zijn er niet, emoties stelen de show en stellen de wet.

Er hoeft maar geschreeuwd te worden en het vijgenblad ligt klaar. Dan worden er seksloze naakte nimfen uit 1896 van de muur gehaald, acteurs met een verkeerd verleden vervangen en legendarische films als Manhattan herijkt en schadelijk bevonden. De verbanning van het schilderij Therese dreaming (Balthus, 1938) is alleen maar niet doorgegaan omdat het Metropolitan Museum of Modern Art een 10.000 keer ondertekende petitie naast zich neer heeft durven leggen. Voor de goede orde: op dat doek is niet meer zichtbaar dan het kruis van een degelijke meisjesonderbroek. De ondeugende gedachten denken die 10.000 er zelf bij.

De #MeToo-campagne krijgt nu de schuld, maar de verpreutsing van het kunstpubliek is al jaren aan de gang. Aan de foto’s die Sally Mann maakte van haar in hun blootje spelende kinderen werd in 1992 al zoveel aanstoot genomen dat een krant zwarte balken plakte over de kleine lijven – en toen waren die foto’s pas echt obsceen. Bij bioscoopfilms kijkt niemand er meer van op dat de liefde niet naakt bedreven wordt, maar in ondergoed.

In de Haagse schouwburg geniet ik van De hereniging van de twee Korea’s. Het stuk vertelt huppelend over de liefde, maar oppervlakkig is het niet. Het hoopt steeds weer op onschuld… Vergeet het maar. In twintig kleine geschiedenissen zien we dat de liefde absurd is, ontregelt, onbetrouwbaar maakt. ‘La vie en rose’ zingen, intussen je minnaar zeven keer per week bedriegen, en het allemaal menen. Zoiets. De mooiste scène is voor mij die met Tamar van den Dop als een verliefde hoer. Sputterend en geil beeldt ze woordloos uit hoe dat voelt: liefde zoeken, erotiek vinden, seks willen. En ontsnappen gaat niet, ik stuit erop in Vlindertje (van Henri Borel, gelukkig heruitgegeven). Een sentimentalistische Haagse roman uit 1901 over „dat wild en lief oproer, dat hartstocht is”. Jawel, maar nu lopen de vader van de bruid en haar bruidegom elkaar tegen het lijf op de stoep van een prostituee. Want seks ondermijnt alles, ook de liefde. Juist de liefde. En dat krijg je niet weg door het af te dekken.

    • Joyce Roodnat