Column

De lucht in

Ellen

Op het moment van schrijven zit een van mijn lievelingsmensen in een vliegtuig en ik aan de valeriaan: ik ben altijd onrustig als een van mijn geliefden vliegt. „Dat is toch heel normaal”, zei mijn zus toen ik haar vanochtend nog even belde om haar een goede reis te wensen. „Hoort bij ouder worden. Je wordt minder bang voor je eigen dood en nerveuzer over de sterfelijkheid van je naasten.”

Ze giechelde even.

„Je houdt van mij hè”, zei ze triomfantelijk.

„Natuurlijk houd ik van je”, zei ik chagrijnig, „je bent familie, dat hoort zo, hechtingshormonen, gewenning, oxytonogwat, het zit allemaal in je hoofd, het is gewoon chemisch.”

„Je neus snuiten is ook chemisch”, zei ze. Ik hoorde op de achtergrond dat een gate zou sluiten en mijn zus riep dat ze moest gaan. Ik zei nog dag maar ze had al opgehangen.

Ik besloot afleiding te zoeken in mijn boekhouding, maar mijn gedachten bleven afdwalen. Ik keek op de klok. Elf uur. Ze zou al opgestegen moeten zijn. Even het nieuws checken. Geen vliegtuigongeluk. Website van Schiphol: alles kits – nee, vertraging. Nog niet opgestegen. Ik app haar. Ze appt niet terug. Misschien is haar vlucht gekaapt. Wacht, een appje. Mijn zus schrijft dat ze al een half uur aan het taxiën is en dat het volgens de gezagvoerder nog wel even gaat duren. Ik zette mijn mobiel uit en ging een eindje wandelen, anders had ik aan het einde van de dag geen hartklep meer over.

Terwijl ik door het park beende, probeerde ik niet te denken aan wat er allemaal mis kan gaan tijdens zo’n vlucht, waardoor ik de hele tijd dacht aan wat er allemaal mis kan gaan tijdens zo’n vlucht. Ze zou 32 uur onderweg zijn en twee keer overstappen. Ik probeerde niet stil te staan bij de gevolgen van een ongeluk. Los van het feit dat ik dan opeens twee pleegkinderen, vier pleegcavia’s en een half zindelijke pleegleguaan heb, zou ik dan ook mijn beste vriendin kwijt zijn.

En zo was ik ten slotte een beetje aan het bidden geslagen. Tot alle monteurs die haar vliegtuig hadden gemaakt. Please, prevelde ik, laat jullie berekeningen kloppen. Laat alle schroefjes op de juiste plaats zitten. Ik bad tot de piloten, dat zij wakker bleven, verzocht vogels niet in de motoren te vliegen, smeekte potentiële kapers een moodswing af. Ik zond schietgebedjes naar de talloze onbekenden die dat geliefde vlees en die irritante maar gekoesterde geest het komende anderhalve etmaal in de lucht moesten houden: luchtverkeersleiders, diplomaten, aerodynamici, meteorologen, politici.

Mijn telefoon ploingde. Mijn zus stuurde een selfie. Ze had twee ballpoints in haar neus gestopt. Achter haar een vermoeide sterwardess. Nog 31 uur en vijftig minuten. Ik stond er maar even niet bij stil dat ze ook nog terúg moest komen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.