Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Snor

Zaterdag maakten we onze eerste fietstocht met twee kinderen. Indonesisch halen bij een toko in Krommenie. De kleinste moest huilen van regendruppels, de oudste sloeg haar vuisten op mijn rug omdat ze televisie wilde kijken, iets wat onmogelijk gaat op een fiets. Ik dacht: als we nu met onze sturen in elkaar raken, is het leed niet te overzien.

We passeerden verkiezingsborden.

Een dorpeling, het kan ook een groep geweest zijn, had op de gezichten van kandidaten een snor getekend. Elke keer als ze het hoofd van PvdA-Wormerland-lijsttrekker Kees van Waaijen zag, riep de oudste heel hard ‘papa’. De vriendin meldde dat ze dat eerder die week ook al had gedaan en voegde er formeel aan toe dat ze Kees van Waaijen nooit eerder had gezien.

We bereikten Krommenie, het dorp waar de vriendin opgroeide. We bekeken de kerk waar ze als negenjarige aanbelde met de vraag wat ze moest doen om erbij te horen, het rijtjeshuis in de Robert Kochstraat en daarna fietsten we ook nog even langs alle huizen die ze wel mooi vond in Krommenie.

De toko werd gerund door een klein Indonesisch vrouwtje. Ze bediende een te kleine magnetron waardoor de wachttijd op liep naar een half uur. De kinderen werden er opstandig van, de oudste was zelfs met kroepoek uit de vissenkom op de toonbank niet meer te kalmeren.

Eten in de fietstas, wind tegen op weg naar huis.

De brug was open.

‘Papa!”

Ja hoor, daar hing hij weer, het hoofd kwam wat scheef omhoog uit een wit overhemd. Op het gezicht van Kees van Waaijen was geen snor getekend, hij had van zichzelf al een snor.

Ik leek in niets op Kees van Waaijen, als hij al op iemand leek was het op Willem Drees, niet slecht voor een PvdA-lijsttrekker. Onder zijn hoofd stond de zin ‘Doorpakken op sociaal en zelfstandig Wormerland’, wat mij een slechte slogan leek.

Aan de overkant van weg hing hij ook.

Ik draaide mijn hoofd naar achteren.

„Waarom zeg jij ‘papa’ tegen Kees van Waaijen?”

Geen bevredigend antwoord.

De brug ging open. Voetje tussen de spaken.

De vriendin nam een voorsprong, ze draaide haar hoofd om met een blik van ‘Waar blijf je nou?’

„Ja-haa”, schreeuwde ik, terwijl ik een voetje in een houdertje probeerde te stoppen.

Daarna de inhaalrace.

Kees van Waaijen keek ons onderweg nog een paar keer aan. Toen ik thuis was, moest het oud papier aan de straat. Ik had geen zin, maar sjouwde de dozen toch naar buiten, tot onder een paal waaraan weer Kees van Waaijen hing.

„Dag papa”, zei ik. Gelukkig had niemand dat gehoord.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen