Adriaan Geuze: „In Nederland is het landschap in de afgelopen dertig jaar sneller verdwenen dan ooit.”

Foto Roger Cremers

‘Nederlandse landschap is in de afgelopen dertig jaar sneller verdwenen dan ooit’

Landschapsarchitectuur Nederlanders zetten het landschap al meer dan 1.000 jaar naar hun hand, zegt landschapsarchitect Adriaan Geuze. Zo werd het landschap een exploitabel object dat binnen een generatie onherkenbaar kan veranderen.

„Wat bezielde de Nederlanders om, terwijl de rest van de wereld kathedralen bouwde, een horizon te bouwen? Een landschap te maken?” Dat vroeg landschapsarchitect Adriaan Geuze zich in 2015 af als gast in het tv-programma Zomergasten. Nederland was van oudsher een zompig moerasland met bomen, legde hij daar uit. „Dat is ontgonnen, daar is het water uitgehaald. Boeren en monniken trokken sloten en gingen landbouw bedrijven, van Groningen tot Zeeland. Dat moet je niet onderschatten. Krankzinnig groots. Wat een lef. Daar begint het fenomeen Nederland.”

Die fascinatie voor de wisselwerking tussen mens en landschap vormt de basis van al het werk van Geuze. Op 22 februari hield hij zijn inaugurele rede als bijzonder hoogleraar landschapsarchitectuur aan Wageningen UR. Die leerstoel is een samenwerking tussen Wageningen UR en Staatsbosbeheer. Het doel is zogeheten ‘ontwerpend onderzoek’ naar verschillende cultuurlandschappen, van het Fries-Groningse terpenland tot de Hollandse binnenduinen en van de Biesbosch tot de Sallandse heuvels.

Wat houdt dat in, ‘ontwerpend onderzoek’ naar een landschap?

„Het cultuurlandschap zoals wij dat kennen, verandert in rap tempo. Nergens anders in de wereld gebeurt dat zo snel. Er zijn stukken van Nederland die je al binnen een halve generatie niet meer herkent. In Wageningen proberen wij die ontwikkeling te begrijpen, te duiden. Daarna kunnen we met goede argumenten alternatieve oplossingen testen. Oplossingen die meer recht doen aan allerlei andere functies van landschappen.”

Wat voor functies, bijvoorbeeld?

„Zorgen voor frisse lucht, schoon water. Waterveiligheid, waterberging, economisch perspectief, energieopwekking. Landbouw. Recreatie. Maar je moet ook niet onderschatten wat het cultuurlandschap voor mensen betekent. Voor ons welzijn en onze identiteit. Nederlanders voelen zich heel nauw verbonden met hun cultuurlandschap.”

Die verbondenheid heeft een lange traditie, zei u in uw oratie.

„Al vanaf het jaar 1000 zijn wij het landschap naar onze hand gaan zetten. Dat begon met het ontwateren van moerassen. Daar bouwden we dijken omheen en zo ontstonden de polders. Een volgende stap was het versneld laten aanslibben van vruchtbare buitendijkse schorren, om die vervolgens te omdijken en met sluisjes te ontwateren. En ten slotte bedachten we iets wat nergens anders ter wereld voorstelbaar zou zijn: de droogmakerijen, het leegpompen van de zee. Zo ontstond onze nationale identiteit: het maken van dat hoogproductieve land. Dat is wat onze schilders en cartografen in de zestiende eeuw gingen vastleggen. Dichters schreven erover. De elite wilde erin wonen. Het werd een euforie. Buitenlanders die hiernaartoe kwamen, spraken over een hypnotiserende ervaring: in een trekschuit door het platte landschap glijden, met die lage horizon van duizend molens.”

Maar waarom gaan we daar nu dan zo argeloos mee om?

„Dat vind ik heel moeilijk te beantwoorden. Wellicht heeft het te maken met die lange traditie van maakbaarheid. Het land was weliswaar al binnen een paar eeuwen ontgonnen. Maar al snel kwamen de inklinking en de zeespiegelstijging elkaar tegen. De zee kwam overal naar binnen, het rivierenland stond een paar keer per jaar onder water. We ontwikkelden steeds betere technieken, met dijken en sluizen en molens, waardoor het vechten tegen het water een attitude werd. We gingen een soort oorlogssituatie als normaal beschouwen. Daardoor zijn wij geobsedeerd door aanpassing, met de dood op de hielen. We zijn het landschap als een object gaan beschouwen, als iets wat we kunnen exploiteren zonder er zelf deel van uit te maken. Filosofen plaatsen die objectivering in de Renaissance, maar die begon in Nederland dus al rond het jaar 1000.”

Is dat erg, die objectivering?

„Ik heb daar niet zozeer een waardeoordeel over. Ik constateer als wetenschapper dat er ergens in de geschiedenis iets heel interessants is gebeurd, en dan vooral in Nederland. En die manier van denken over het landschap heeft ons geen windeieren gelegd.”

Maar u constateert wel met spijt dat het landschap van uw jeugd niet meer bestaat.

„Dat is zo. En als je mij vraagt: word je daar beter van, dan is mijn antwoord: nee. Landen als Noorwegen, Engeland en Duitsland hebben een veel sterkere traditie van het behouden van hun landschap. En leiders van belangrijke moderne metropolen – Parijs, Londen, München, New York, San Francisco, Toronto, Seoul, Singapore – die koesteren juist het landschap. Ze investeren niet alleen meer in havens en wegen, maar ook in cultuur, frisse lucht, parken en de kwaliteit van het landschap. Ze zien dat er een strijd gaande is om de hoger opgeleiden, en dat daarbij juist die factoren bepalend zijn voor het vestigingsklimaat. Maar in Nederland is het landschap in de afgelopen dertig jaar juist sneller verdwenen dan ooit.”

En als hoogleraar onderzoekt u hoe dat anders kan?

„Ja. Elk jaar nemen we in ons masterprogramma één landschap onder de loep met zo’n veertig studenten uit binnen- en buitenland. Twee jaar geleden onderzochten we hoe je van drie kleine nationale parken in Drenthe en Overijssel één gebied kunt maken, met daarin Steenwijk en Giethoorn als ‘boetieksteden’: pittoreske steden die zich richten op het chiquere toerismesegment. Vorig jaar richtten we ons op het Nationaal Park Van Gogh in het hart van Brabant. Daar heb je een rijkdom aan beekdalen, bosranden en heide. Middenin ligt de Eindhoven Brainport [een hightechregio met bedrijven en kennisinstellingen, red.]. Dat geeft allerlei nieuwe mogelijkheden. De studenten maken eerst een diepgaande analyse van het hele systeem: de bodem, hydrologie, ecologie, ontstaansgeschiedenis, tradities. En dan gaan ze ontwerpend onderzoek doen. Bijvoorbeeld voor een nieuwe hightechcampus. Of voor een boomkwekerij die tegelijkertijd een park is. Of voor de infrastructuur. De A2 loopt nu midden door het gebied, met bedrijvenparken erlangs, waardoor dorpen en steden zijn afgesneden van het Dommeldal. Wij zijn benieuwd of je die band kunt herstellen.”

En, levert dat al wat op?

„Jazeker. Die studenten discussiëren uitgebreid met bewoners, politici, bedrijven en overheden. Dat levert heel nuttige netwerken op die als basis kunnen dienen voor duurzamere regio’s. Dat is leuk hoor, met studenten. Die nemen geen blad voor de mond en bedenken dingen waar niemand anders op zou komen. Partijen als provincies en Staatsbosbeheer zijn daar heel blij mee. Nu is dit nog puur academisch, maar je ziet dat er rimpels in het water ontstaan. Er zitten plannen tussen waarvan je denkt: briljant, hoe kom je erop? Die kunnen zo uitgevoerd worden.”

En intussen wordt er een nieuwe generatie landschapsarchitecten opgeleid.

„Precies, een generatie die is grootgebracht met die gecombineerde aanpak. Een aanpak die het Nederlandse landschap versterkt in plaats van vernietigt.”

    • Nienke Beintema