Premier Rutte wordt begroet door zijn Belgische collega Michel op een diner-vergadering, vorige maand, over Europa na de Brexit.

Foto OLIVIER HOSLET/EPA

‘Heel Europa wil zaken doen met Nederland’

Josef Janning

Het aanstaande vertrek van de Britten dwingt alle EU-lidstaten in een nieuwe rol. Nederland is zich daar zeer van bewust, ziet onderzoeker Josef Janning. „Het voelt de noodzaak zijn hand uit te steken.”

Meer dan vijftig keer hebben ministeries en andere overheidsinstanties in heel Europa hem het afgelopen jaar uitgenodigd, om over de nieuwe Europese politieke dynamiek na Brexit te praten. En nog komt er geen eind aan. „Brexit gaat de Europese politiek ingrijpend veranderen. Iedereen is bezig te ontdekken wat dit voor hem betekent.”

Josef Janning, directeur van de European Council on Foreign Relations in Berlijn, onderzoekt al tien jaar de bereidwilligheid van EU-lidstaten om samen te werken. Half februari kwam zijn laatste rapport uit. Ook verscheen laatst van zijn hand een verkenning van de favoriete coalitiepartners van EU-landen. In beide rapporten komt Nederland er vrij goed uit.

„Sommige EU-landen”, zegt Janning via Skype, „leunden zwaar op het Verenigd Koninkrijk. Vooral liberale, noordelijke landen als Zweden en Nederland, en in mindere mate België. Ook niet-eurolanden in Midden- en Oost-Europa focusten sterk op het VK. Dat gaat niet langer. Dus nu worden er fantastische, open debatten gevoerd binnen regeringen, ministeries en denktanks over de vraag: welke koers moeten we nu varen? In welke Europese relaties moeten we in de toekomst investeren? En waarom? Iedereen weet: in Brussel sta je sterk als je anderen aan je zijde hebt. Brexit slaat een gat. Iedereen probeert dat gat te dichten.”

Bent u ook op Haagse ministeries geweest?

„Ja, meermalen.”

Waarom is Nederland happiger op coalitievorming dan andere landen?

„Om meerdere redenen. Nederlanders zijn pragmatische mensen. Ze willen dingen voor elkaar krijgen. Op ministeries kijken ze naar concrete Europese thema’s. Vroeger hielpen de Britten vaak om die er in Brussel door te krijgen. Nu moeten anderen helpen om het vereiste aantal stemmen te krijgen. Nederland is close met Duitsland. Altijd geweest, net als Oostenrijk. Maar Den Haag wil geen bijwagen van Berlijn zijn. Daar zijn ze zich sterk van bewust. Ze willen niet dat die relatie met Duitsland een automatisme wordt. Dan laten ze je links liggen, hè. Dus zeggen de Nederlanders, heel verstandig in mijn ogen: ‘Berlijn moet wel een reden hebben om ons te bellen’. De premier en ambtenaren reizen meer dan vroeger, ook naar landen waar ze vroeger weinig kwamen. Ze organiseren besprekingen die ze vroeger niet organiseerden, zoals een Benelux-gesprek met Visegradlanden. Je kunt zeggen: Nederland voelt de noodzaak zijn hand uit te steken naar nieuwe partners heel sterk. Sterker dan bijvoorbeeld Oostenrijk, dat ook nauwe banden heeft met Duitsland, maar meer in zijn eigen buurt blijft hangen. Hoewel, ik hoor dat ze in Den Haag meer telefoontjes uit Wenen krijgen dan voorheen.”

Wil Nederland in het midden van Europa staan?

„Ja. En zo zien andere Europese landen Nederland ook: als een land dat invloed heeft en openstaat voor allianties. Een land dat de rol van broker goed speelt. Omdat Nederland een van de zes oprichters was van wat nu de EU is, kennen ze het politieke spel in Brussel goed. Nederlanders hebben overal contacten, zijn klaar voor het nieuwe spel. Volgens mij vinden ze het, nu de eerste schrik van Brexit eraf is, zelfs leuk. Zweden of Denemarken, die korter lid zijn en de EU alleen mét Britten kennen, hebben het moeilijker. Die hebben meer in te halen. Als je alle hoofdsteden afgaat, zoals wij voor ons coalitieonderzoek hebben gedaan, en vraagt: ‘Met wie van de zeven rijke kleine landen wilt u zakendoen in Europa?’, komt Nederland er als eerste uit en Zweden als tweede.”

U heeft het over politici, beleidsmakers?

„Ja.”

Dit zegt niets over wat burgers vinden.

„Nee, dit gaat over ‘zakendoen’ in Brussel. Wat burgers vinden, hebben we onderzocht in ons tweede project: de zogeheten Cohesie-monitor. Dit project loopt al tien jaar. We meten, op basis van nationale en Europese data en cijfers, hoezeer EU-landen bereid zijn om met anderen samen te werken. De publieke opinie is daarvan een onderdeel. De laatste tijd zijn in de Monitor verschuivingen te zien. We onderscheiden twee soorten cohesie: structurele en individuele cohesie. Nederland scoort steeds minder goed op het eerste en steeds beter op het tweede. Structurele cohesie is het hele systeem van macro-samenwerking in Europa: projecten, subsidies, enzovoort. In veel West-Europese landen is de piek van structurele cohesie voorbij. Dat komt deels door de crisis. Toen is er veel gekapt. Maar het komt ook omdat het werk voor een deel gedaan is: het zijn nieuwe EU-landen in Oost-Europa die nu de meeste hulpgelden krijgen. De daling van structurele cohesie in landen als Nederland is dus logisch. En niet dramatisch. Individuele cohesie meet de houding van burgers. Hun overtuiging, hun ervaring, hun geloof in bepaalde dingen. En het interessante is: die stijgt in Nederland en andere Noordwest-Europese landen.”

Betekent dit dat burgers meer bereid zijn dan vroeger om met andere Europeanen samen te werken?

„Ja. Zeker na Brexit en Trump. Je ziet het ook in peilingen als de Eurobarometer: de animo voor samenwerking stijgt.”

Bestaat die positieve houding niet in de nieuwe EU-landen?

„Daar is de steun van burgers voor de EU nog steeds hoog. Maar die percentages dalen. De trend is daar omgekeerd.”

Is dit zorgelijk? Is er een groeiende kloof tussen Oost en West?

„De kloof is afgelopen jaren gegroeid. Maar ik maak me er geen zorgen over. Nog niet. Steun bij burgers in nieuwe EU-landen is nog hoog genoeg. Nieuwe landen hebben er veel belang bij, vanwege die structurele samenwerking en subsidies die ze krijgen, om bij de les te blijven. Ze mogen bepaalde ideologieën hebben maar ze kunnen ook tellen, hoor. Voor een land als Griekenland geldt hetzelfde.”

Blijft dit zo, als er gesneden wordt in deze subsidies om het Brexit-gat in de Europese begroting te dichten?

„Komende vijf à tien jaar blijft er genoeg voor hen over. Mijn zorg geldt eerder Zuidwest-Europa: Spanje en vooral Italië. Daar gaan de scores op structurele én individuele cohesie omlaag. Zij verliezen op twee fronten. Spanje komt er wel doorheen, denk ik: de Spanjaarden zien zichzelf als de ‘Duitsers’ van Zuid-Europa. Zij hebben de positieve ambitie om erbij te horen. Italië baart mij meer zorgen.”

Verklaart dit ‘verlies op twee fronten’ het verkiezingsresultaat in Italië?

„Italianen zijn zwaar gedesillusioneerd. Dat blijkt uit al onze data. Afgelopen jaren werd dat steeds duidelijker. Italianen hebben nu vergelijkbare scores als de Britten. Dit is politiek gevaarlijk. Portugal is een uitzondering. Daar is de individuele cohesie hoog. Zelfs na een diepe crisis blijven Portugezen enthousiast over Europese samenwerking.”

Waar komt het groeiende enthousiasme in Nederland en andere noordelijke landen vandaan?

„Noorderlingen zijn gewend aan de omgang met andere Europeanen. We reizen, we spreken onze talen. Bovendien is er noordelijk van de Alpen een herwaardering voor wat de Europese integratie heeft bereikt. Er is euroscepsis, maar tegelijkertijd beseffen burgers door Trump, Brexit en allerlei uitdagingen van buitenaf wat de EU waard is.”

Is dit wat premier Rutte met zijn rede in Berlijn probeerde over te brengen?

„De boodschap van de noorderlingen na Brexit is: misschien zijn we niet zo blij met de EU, maar wel in de EU.”

Is dit niet ook de ‘Erasmusfactor’?

„Dat speelt mee. Half Noord-Europa heeft aan Erasmus [het EU-uitwisselingsprogramma voor studenten] meegedaan. Een hele generatie denkt: we hebben veel bereikt, we laten dit toch niet kapotvallen? Je kunt gerust zeggen dat het noorden Europa aan het herontdekken is.”

Den Haag is enthousiast over een sterke ‘Nordic groep’. Is dat een goed idee?

„Een sterke noordelijke groep kan druk uitoefenen op de rest. Zo willen noordelijke landen de interne markt uitbreiden op het gebied van dienstverlening. Duitsland heeft daar weinig belang bij. Als de Nordics slim zijn en een coalitie bouwen, kan het toch lukken.”

Nederland en Frankrijk hebben nu tv-programma’s over Europa. In Zweden doet een minister een EU-project in scholen en bedrijven. Is dit een trend?

„Het verhaal dat veel regeringen over Europa hebben gehouden is: ‘Kijk eens hoe rijk we door de EU zijn geworden’. In Noordwest-Europa verandert dat. We zien: Hongarije is de grootste ontvanger van EU-subsidies en toch daalt het animo van Hongaren over Europa. Misschien moesten de Hongaren eens schoolreizen naar andere EU-landen organiseren, zoals Frankrijk en Duitsland doen. Nu Frankrijk en Duitsland ambitieuze plannen hebben met de euro, Europese defensie en dergelijke, beseffen regeringen dat ze burgers moeten meekrijgen voor grote veranderingen. Hoe doe je dat? Niet met het oude verhaal dat we rijk worden van Europa. Nee, dat doe je op basis van Europese ervaring, beleving, kennis, dat soort dingen. Dat we aan de EU verdienen, is een kil argument. Wat mensen enthousiast kan maken, is beleving, gecombineerd met goede, politieke informatie en klinkend resultaat. Dat was de aantrekkingskracht van Macron in Frankrijk.”

Eindelijk begint deze week een Duitse regering. Hoeveel tijd hebben Merkel en Macron nog?

„Minder dan anderhalf jaar. Tot de Europese verkiezingen in mei 2019. Burgers moeten zien: als we samenwerken, gebeurt er ook wat. Alleen zo kweek je vertrouwen in de EU. Macron praat over ‘Europese soevereiniteit’. Hij zegt: ‘Door samen te werken krijgen we de controle.’ Wat hier gebeurt, is het tegenovergestelde van Brexit. De Britten trekken zich terug. Wij maken de omgekeerde beweging.”

Springen wij er weer in?

„Ja, maar voor beiden is het wel een test. We kunnen niet blijven zeggen: de EU is fantastisch, kijk eens hoe de Britten zichzelf met Brexit benadelen! We hebben resultaat nodig. Toegevoegde waarde.”

Nederland staat open voor allianties
    • Caroline de Gruyter