‘Welke zestienjarige heeft er nou plezier aan de verplichte leeslijst?’

Boekenweek Komende week wordt het boekenvak gevierd. Vier boekenmensen aan het woord. „Ik geloof absoluut in zachte dwang.”

Als Griet Op de Beeck vrijdagavond het Boekenbal opent, geeft zij het startschot voor een uniek Nederlands fenomeen: de Boekenweek. Schrijvers, uitgevers en boekhandelaren die tien dagen lang samen het boek promoten alsof concurrentie niet bestaat: dat zie je nergens anders ter wereld. Men viert de literatuur, het boekenvak, zichzelf, elkaar. De boekverkopen zullen pieken, de lezer krijgt een gratis boek, iedereen wint.

Tegelijkertijd kunnen we vaststellen dat het niet geweldig gaat met het boek. Het aantal verkochte boeken is vorig jaar niet gestegen. De omzet groeide marginaal, met slechts 1 procent. De Nederlandstalige roman had een moeilijk jaar. Weliswaar steeg het aantal in de top-100 van bestverkochte boeken naar dertien (tegenover elf in 2016), maar slechts zes van de titels waren in 2017 verschenen. De bestverkopende roman, Pogingen iets van het leven te maken door Hendrik Groen, stamt zelfs al uit 2014.

De ontlezing houdt aan. Het percentage jongvolwassenen (20-34 jaar) dat wekelijks een boek, krant of tijdschrift leest, is in tien jaar tijd gedaald van 87 naar 49. Onder tieners (13-19 jaar) daalde het percentage van 65 naar 40. Is consolidatie van de boekverkoop misschien al een resultaat om heel tevreden mee te zijn? Wat zijn de vooruitzichten voor het boek over, zeg, vijf jaar?

We praten met vier mensen die er verstand van hebben: Caroline Damwijk, directeur van boekverkopersorganisatie Libris Blz., Mai Spijkers, oprichter van uitgeverij Prometheus en uitgever van Op de Beeck, Geneviève Waldmann, directeur van uitgeefhuis VBK (met literaire uitgeverijen als Atlas Contact en verder bijvoorbeeld Van Dale) en bestsellerauteur Tommy Wieringa, die kans maakt op zijn tweede Libris Literatuurprijs.

Spijkers: „Men was een tijdje bang dat het papieren boek zou verdwijnen, maar het heeft juist een enorme kracht. Ik zie geen tekenen dat dat de komende vijf jaar gaat veranderen.”

Wieringa: „Ik vrees wel dat het begrip van de roman tanende is. Ik houd vooral lezingen voor een stervend publiek. Die mensen zijn opgegroeid in een schoolsysteem waarin de roman dominant was. Die brede onderlaag wordt nu niet meer aangemaakt.”

Spijkers: „Dat is een tijd wat minder geweest, maar het besef dringt door dat dit een verarming van de cultuur betekent. Daarom denk ik ook dat het met het boek wel goed blijft gaan. Het is waar dat het niet meer zal worden zoals het was. De grote groep mensen die na de Tweede Wereldoorlog opeens ging studeren heeft het succes van Mulisch en Reve gedragen. Dat maak je nu niet meer mee.”

Waldmann: „Daar ligt wel een taak voor ons: jongeren weer aan het lezen krijgen.”

Spijkers: „Ik heb moeite met het woord taak. Lezen is gewoon waanzinnig leuk. Dat moet je zelf ontdekken. Een instituut of overheid kan dat niet opleggen.”

Wieringa: „Ik geloof absoluut in zachte dwang.”

Spijkers: „Je moet de gelegenheid bieden.”

Damwijk: „Die gelegenheid is er steeds minder. Vroeger ging ik elke week naar de bibliotheek in de buurt. Je schrikt je rot als je ziet hoe snel er nu bibliotheken verdwijnen. Volgens mij moet je kinderen confronteren met boeken, maar moet leesplezier bovenaan staan.”

Wieringa: „Welke zestienjarige heeft er nou plezier aan de verplichte leeslijst? Alleen in het literatuuronderwijs is er die vreemde eis van plezier. Dat woord hoor je nooit in het scheikundelokaal. Ik las canonieke romans omdat het verplicht was. Heel soms was er dan een sprankje licht. Nu maak ik de wanhoop mee van leraren Nederlands. Die vertonen soms een bijna religieuze dankbaarheid omdat hun leerlingen plezier aan Joe Speedboot beleven. Maar mijn ervaring met de leeslijst had niets met plezier te maken. En toch werd ik een lezer.”

Damwijk: „Lezen leert je empathisch denken. Het dwingt je in het hoofd van een ander te gaan zitten.”

Waldmann: „We moeten met zijn allen proberen jongeren aan het lezen te houden. Bijvoorbeeld door festivals te organiseren, community’s te bouwen. De Nacht van de Poëzie zit gelukkig vol met jongeren. Lezen verandert je leven. Door Murat Isik ben ik met andere ogen naar de Bijlmer gaan kijken. Dat is een fantastisch boek. Je kijkt cynisch, Mai.”

Spijkers: „Nee, niet cynisch, maar ik denk dat het de taak van een uitgever is om goede auteurs te vinden en hun werk op een goede manier naar het publiek te vertalen. Dat is de essentie. De rest is ruis.”

Wieringa: „De papieren roman is gelukkig wel een onverslaanbare kampioen gebleken. Een tijd geleden was ik daar minder optimistisch over. Ik was auteur van het boekenweekgeschenk in 2014, toen de Polare-winkels ten onder gingen. Toen hing er een apocalyptische doem over het vak. Sindsdien zijn de luie boekhandelaren er tussenuit geslagen en zijn vooral die boekhandelaren overgebleven die een publiek aan zich weten te binden.”

Damwijk: „De kanttekening daarbij is wel dat het in de regio veel moeilijker is om een boekhandel overeind te houden. Dat komt ook doordat de winkelgebieden het steeds zwaarder hebben. De boekhandels die er nog zijn, moeten inderdaad anders met hun klanten omgaan.”

Spijkers: „Ook uitgeverijen moeten veranderen. Vroeger waren vier op de tien boeken die je verkocht nieuw en zes waren al langer geleden uitgegeven. Nu bestaat 80 procent uit boeken die ik dat jaar gemaakt heb. Een boek gaat korter mee. Je moet sneller reageren. Vroeger was het ondenkbaar dat je op 4 januari een buitenlandse titel aankocht en er op 24 januari 30.000 van verkocht had [hij doelt op Fire and Fury van Michael Wolff, red.]. Dat komt door de technische vooruitgang, maar het is ook dwang van de markt.”

Damwijk: „Sommige boeken verkopen twee weken heel goed en daarna niet meer. Boekverkopers moeten ook wennen aan die hijgerigheid. Ze moeten niet bang zijn om van tevoren twintig exemplaren in te kopen in plaats van twee. Je legt ze neer en verkoopt er een korte tijd veel. Daarna is het voorbij. Sommige titels hebben een vast publiek. Andere vergroten slechts tijdelijk de markt, zoals Judas, van Astrid Holleeder, of het boek over Gordon. Die omzet kan de boekhandel niet missen.”

Spijkers: „Boekhandels zijn raar hoor. Sommigen wilden liever geen Vijftig tinten grijs verkopen. Die zeiden dat mensen daarvoor maar naar de Bruna moesten.”

Damwijk: „De tijd dat ze dat kunnen zeggen is voorbij. Ik denk trouwens dat we de komende jaren zullen zien dat luisterboeken en podcasts steeds populairder worden. Misschien wordt het gesproken woord wel groter dan het e-book.”

Spijkers: „In mijn ogen zijn boeken een marginaal product, waarvan je het ene jaar iets meer verkoopt dan het andere. Het gaat om hoe je je aanpast aan de tijd.”

Wieringa: „En hoe past de schrijver zich aan? Waar moet die van leven?”

Waldmann: „Dat was altijd al moeilijk.”

Wieringa: „Maar het middensegment, de auteurs die van elk boek dertig- tot veertigduizend exemplaren verkochten, is goeddeels verdwenen.”

Waldmann: „Wat hebben jonge schrijvers nodig?”

Spijkers: „Een kaars.”

Wieringa: „Een publiek. Waar is de literatuur over vijf jaar? Wat voor schrijvers vraagt die tijd? Ik snak naar meer schrijvers die de tijdgeest vangen, bèta’s als Houellebecq en Coetzee.”

Spijkers: „Dat is de leeftijd, jongen. Er zijn jaren dat acht titels 90 procent van je omzet bepalen. Het risicoprofiel is hoger nu. Zonder die schrijvers wordt het lastig. Je hebt dus de opdracht om die kleine groep goedverkopende schrijvers te behouden zonder de anderen te verwaarlozen.”

Wieringa: „Schrijvers hebben het geduld en vertrouwen van uitgevers nodig. Alfred Birney heeft twaalf boeken geschreven voordat hij met De tolk van Java kwam.”

Waldmann: „Het gaat inderdaad om boeken waar je als lezer iets aan hebt. Ik denk aan Birney, Nino Haratischwili [Het achtste leven] en De bekeerlinge van Stefan Hertmans. Dan leer ik iets én heb ik een fantastische leeservaring. Maar er zijn ook jongeren die van zevenhonderd pagina’s fantasy houden. Een uitgever moet alles uitgeven waar vraag naar is.”

Spijkers: „En waar geen vraag naar is, anders is het snel bekeken. Wij hebben laten zien dat we in een krimpende markt gewoon kunnen blijven bestaan. De neergang kan trager gaan dan je denkt, en het kan maar zo zijn dat je tijdens die neergang manieren vindt om eruit te komen.”

Wieringa: „Ik verbaas me hogelijk dat jullie je niet meer zorgen maken over het verlies van lezers.”

Spijkers: „Ik ben een koopman, die moet er positief in staan. Het is aan de schrijver om een donkerder, filosofischer geest te hebben.”

Wieringa: „De spanningsboog van een roman, de concentratie en identificatie die hij vraagt … Ik denk dat het genre het nog zwaar krijgt.”

Spijkers: „Dat kan het hebben.”

Wieringa: „Natuurlijk blijven er altijd schrijvers achter de horizon die werken aan de uitzondering die mensen zal beroeren. Maar ik ben bezorgd over het algemene begrip van de roman.”

Damwijk: „Toch zie je juist dat dikke boeken goed verkopen.”

Spijkers: „Klopt. Dunne boeken verkopen niet, dat zei Frits Bolkestein al.”

Wieringa: „De prikkels van de concurrentie, de verleidingen van de smartphone, zijn bijzonder sterk. Vergis je daar niet in. Het begrip van iets wat langzaam gemaakt wordt en langzaam moet worden geconsumeerd, staat onder druk.”

    • Hanneke Chin-A-Fo
    • Toef Jaeger