Recensie

Verplaats je in een muskusrat

Boekenweek

Natuur, het thema van de Boekenweek, stelt schrijvers voor een vrijwel onmogelijke taak: iets beschrijven wat verdwijnt zodra je er deel van uitmaakt.

Het schijnt dat Thoreau tijdens zijn tijd in Walden soms wekenlang iedere avond bij zijn moeder ging eten en haar ook zijn was liet doen. De romantische afzondering die hij in de natuurklassieker Walden (1854) beschreef, was dus misschien iets minder alomvattend dan hij lijkt.

Natuurboeken worden geacht waar te zijn, ze gaan tenslotte over de bestaande wereld die nauwkeurig geobserveerd dient te worden, en met de waarheid lijkt Thoreau vaker een loopje te nemen. Zo woonde hij dik twee jaar in het zelfgebouwde huis aan het meer, die tijd werd in het boek ingedikt tot een jaar. Maar zoals mede-natuurschrijver Annie Dillard in een interview zei: het boek vertelt de waarheid over Walden en die vorm had het blijkbaar nodig.

Het thema van de Boekenweek is dit jaar de natuur. Dat lijkt een logische keus: het is een onderwerp waar mensen graag over lezen en schrijven, en het is urgent om politieke redenen. Mensen nemen wereldwijd steeds meer ruimte in. Daardoor sterven veel wilde diersoorten uit en hebben de mensen zelf steeds minder open plekken.

In Nederland lijkt de natuur ook bedreigd te worden, onder meer omdat rechtse politieke partijen denken dat geluk in geld te meten is. Maar wat ‘natuur’ precies is, is onduidelijk. Ongerepte wildernis of oerbossen kun je in Nederland al heel lang niet meer vinden, terwijl het in de steden tussen de stenen krioelt van de kleine beestjes, het gewenste en ongewenste groen.

Ingewikkelde taak

Gerbrand Bakker en Kester Freriks geven in hun nieuwe boeken een aantal woordenboek-definities van natuur, waarin het steeds gaat om plekken waar de mens afwezig is. De natuurschrijver lijkt dus een ingewikkelde taak te hebben: iets te beschrijven wat verdwijnt zodra je er deel van uitmaakt. Freriks ziet vooral een wereld die onder druk staat, Bakker heeft meer vertrouwen in het komen en gaan van alles en ziet voor de mens ook een rol weggelegd in het cultiveren van al wat groeit en bloeit.

Over wat natuur is, schrijven ze verder met een omweg, als een afwezig-aanwezige observator. (Dat is volgens Dillard overigens het traditionele beeld van de natuurschrijver: een man die in eenzaamheid leeft, en ze zegt dat het moeilijk is om serieus genomen te worden als je niet aan dat beeld voldoet.) Bakker en Freriks gaan ervan uit dat ‘de mens’, of tenminste de natuurschrijver, los staat van de natuur, terwijl het onderscheid tussen natuur en cultuur allang ter discussie staat. Misschien maken mensen wel meer deel uit van de natuur dan zij denken, en is de natuurschrijver, zoals Darwin al dacht, ook maar een dier.

In Stilte, ruimte, duisternis onderzoekt Freriks de betekenis van de begrippen uit de titel, vroeger en nu. Hij noemt het zelf een ‘caleidoscopische verkenningstocht’ door het Nederlandse landschap, soms aan de hand van kunst, wetenschap, of gesprekken met mensen (zoals schilders of boswachters). Het eerste beeld dat hij schetst is dat van de natuur als ons eerste huis, tegenover de huizen die mensen gebouwd hebben om zich van de natuur af te sluiten. Door die huizen te bouwen hebben we gewonnen aan veiligheid, maar volgens Freriks zijn we ook veel kwijtgeraakt – namelijk de ervaring van stilte, ruimte en duisternis.

Bijna-verdrinkingen

Freriks is in het boek eigenlijk steeds op pad. Hij bezoekt verschillende Nederlandse natuurgebieden, plekken met namen die tot de verbeelding spreken, zoals de Knardijk, de Zwarte Haan, of Lage Vuursche. Ook ontdekt hij een ter ziele gegaan Stiltemuseum, bezoekt hij het archief daarvan in het Museum voor opgeheven musea, en gaat hij binnen in een dode kamer (zonder geluidsweerkaatsing) in het natuurkundig laboratorium van de TU Delft. Er komen ook herinneringen langs, waaronder een paar bijna-verdrinkingen. Soms laat hij mooi zien hoe de kunstwerken die hij bespreekt mensen anders kunnen laten kijken naar wat er is. Jammer is alleen dat zijn eigen boek dat niet doet.

De grootste problemen van het boek zijn slordigheid en een gebrek aan visie. Freriks springt van de hak op de tak en spreekt zichzelf regelmatig tegen, vooral wanneer het over stilte en duisternis gaat. In de conclusie schrijft hij bijvoorbeeld dat wie binnen gaat in de ‘nachtelijke entourage’ van de natuur duisternis zal ervaren, terwijl hij dat een paar zinnen later ontkracht door te schrijven dat we denken dat de nacht duister is, terwijl dat niet zo is.

Ook is zijn woordkeus tegen het pompeuze aan (hij is bijvoorbeeld dol op het gebruik van de woorden ‘betogen’ en ‘memoreren’ in plaats van ‘zeggen’) en worden clichés niet geschuwd; denk hier aan zinnen als: ‘Onvervangbare schoonheid van stilte en ruimte.’ Veel uitspraken zijn te algemeen. Freriks heeft het bijvoorbeeld vaak over ‘vroeger’, zonder duidelijk te maken naar welke periode hij verwijst – Nederland was volgens een groot aantal wetenschappers ‘vroeger’ grotendeels bebost, maar dat komt in het verhaal niet voor.

Op pagina 147 schrijft hij: ‘In de hedendaagse filosofie geldt dat er geen sprake is van ‘harde’ wetenschappelijke feiten als het gaat om zulke subjectieve ervaringen als stilte, ruimte of duisternis.’ Naast de raadselachtige betekenis van deze zin is volstrekt onduidelijk naar welke filosofische traditie hij verwijst – hij heeft het even later over Schopenhauer, maar die is toch nauwelijks nog een hedendaagse filosoof te noemen.

IJsbollen

De bijna-verdrinkingsverhalen, die in potentie meeslepend zijn, maakt hij niet af; zonder duidelijk te maken waarom hij doorgaat naar een volgende anekdote. Dit is exemplarisch voor de rest van het boek, waarin fragmenten onvoldoende met elkaar verbonden worden. Ten slotte is het onduidelijk waarom prostitutie zo’n grote rol heeft in het verhaal – hij noemt het zelfs in relatie tot een vleermuizenkolonie in de stad, terwijl die vleermuizen alleen maar op zoek zijn naar een partner, en daar toch niet voor betalen.

Freriks beschrijft dus veel wandelingen en kunstwerken, maar over de betekenis van stilte, ruimte en duisternis, komen we weinig te weten. Anders is dat in Winter-IJsland (2016) van Laura Broekhuysen, een literair verslag van haar eerste jaar met haar IJslandse echtgenoot en hun dochter in een afgelegen huis aan een fjord aldaar, waarin je struikelt over de mooie zinnen en observaties. ‘April is weinig geloofwaardig’, schrijft ze bijvoorbeeld in het hoofdstuk ‘Geen lente’, om daarna te beschrijven hoe sneeuw en water door de wind en vorst tot ijsbollen gemaakt zijn. Die bollen zitten vast aan de laatste vloedgolf van de bevroren zee, je moet wrikken om ze los te krijgen, haar dochter likt eraan. ‘Je kunt er met gemak een kaak mee verbrijzelen maar er is in de wijde omtrek niemand om ruzie mee te zoeken.’ Op het ijs staat een raaf naar ze te kijken.

Broekhuysen schrijft heel precies over een duisternis die alomvattend is en over een toverachtige natuur die de mensen buitensluit en ze tegelijk weerspiegelt – het absurde dat in de mens zit, zie je erin terug. Alles is meedogenloos en schittert: de sneeuw, de winter, maar ook de grote rode zon die niet onder gaat in de midzomernacht, en tenslotte de bevalling van een kind. Ze kan de hoogte van een berg niet schatten, maar ziet alle kleine dingen. De lichte afstandelijkheid en eerlijkheid doen denken aan Frida Vogels of May Sarton; Broekhuysen is poëtischer.

Tamarisken in de zee

Lichte afstandelijkheid en eerlijkheid zijn ook te vinden in Rotgrond bestaat niet van Gerbrand Bakker. Het boek begint met een sterk kort hoofdstuk over de tuin van de Britse filmregisseur Derek Jarman en de noodzaak van een hek. Het eindigt in de tuin om Bakkers huis in de Eifel, met de eerste wandelingen die hij daar zonder hond maakt. Daartussen komen we onder meer op begraafplaatsen, bergtoppen die door Bakker altijd beklommen moeten worden, een Grieks eiland waar tamarisken in de zee staan, en de Berlijnse dierentuin.

Bakker is terecht kritisch over zaken als het antropomorfisme van de Duitse boswachter Peter Wohlleben, die over het geheime innerlijke leven van bomen schreef, en sentimentele reacties op het uitsterven van diersoorten. Hij nuanceert romantische ideeën over de natuur en stelt er een Noord-Hollands wereldbeeld tegenover, dat eigen is en nuchter. Meer dan een boek over ‘cultuurlandschap en natuur’, de ondertitel, is het een boek over Bakker zelf. Over eenzaamheid en melancholie maar ook optimisme: de tuin moet worden bijgehouden, er moet altijd wel wat worden verplant.

Verschillende hoofdstukken zijn gebaseerd op eerder gepubliceerde artikelen in kranten en bladen en zijn weblog. Hoewel ze thematisch samenhangen, is dat te lezen: Rotgrond is her en der grappig, en trouwens ook ontroerend, maar het is een rommelige tuin, een beetje een allegaartje. Het lezen waard, maar het doet vooral verlangen naar de nieuwe roman die aan het eind beloofd wordt.

Reuzenwaterwants

Bakker schrijft ergens dat hij zo graag buiten is omdat de wereld daar levend is, in tegenstelling tot binnenshuis. Die levende wereld staat centraal in Pilgrim at Tinker Creek (1974), het natuurboek dat ik alle lezers deze Boekenweek zou willen aanraden, geschreven door de eerder genoemde Amerikaanse Annie Dillard.

De belangrijkste hoofdpersoon van dat boek is Tinker Creek, een kreek in de Blue Ridge Mountains in Virginia. In en om het water leven talloze wezens en schoonheid is steeds maar een haartje verwijderd van wreedheid. Een kikker wordt verslonden door een reuzenwaterwants – hij wordt leeggezogen en zinkt, er blijft een schaduw achter. Er worden veel eieren gelegd, vinden metamorfoses plaats.

Dillard is de ‘ik’ in het verhaal, maar een bijna lege ik, evenveel vrouw als man, gevuld door het landschap, dat naast de kreek bestaat uit de bomen en de bergen, en ook het licht en de seizoenen. Ze krijgt door de natuurbeschrijvingen vat op de grote zaken van het mensenleven, zoals eenzaamheid, het wonder dat we bestaan en het cyclische van alles. In een van de mooiste scènes beschrijft ze hoe ze als ze muskusratten bestudeert zelf een muskusrat moet worden: ze moet hun manier van in de omgeving opgaan nabootsen om niet door ze opgemerkt te worden. Door oefening lukt dat.

In het boek gebeurt eigenlijk hetzelfde: om de natuur, die grote verschrikkelijke en prachtige wereld waar we deel van uitmaken, te beschrijven, moet ze erin opgaan. Dat doet ze door in te zoomen op de kleinste details – zoals insecten, die ze ook in potjes in huis houdt – en door uit te zoomen, ook in de tijd. Dagen worden seizoenen worden jaren, eeuwen. Ze laat zien dat mensen, zoals de Amerikaanse filosoof Donna Haraway betoogt, altijd al verbonden zijn met alles om ze heen en er deel van uitmaken, en vooral hoe alles steeds in beweging is.

Thoreau schreef al dat de stilte en natuur bedreigd werden, dat is niets nieuws. Het schrijven over natuur is niet alleen van belang om medemensen te wijzen op de schoonheid en de waarde van de wereld om ze heen. De natuur zelf laat ons zien dat dingen altijd weer veranderen en juist daarom zo belangrijk zijn. Als we zoals Dillard goed kijken, zien we dat we daar deel van uitmaken. Alles staat altijd op het spel, dat is namelijk het leven: ga er maar in op, doe er je best voor, straks ben je weg, net als die kikker.

Eva Meijer is schrijfster. Haar recentste boek De soldaat was een dolfijn. Over politieke dieren verscheen bij uitgeverij Cossee.
    • Eva Meijer