Opinie

    • Frank Westerman

Trap verslagen terroristen niet na. Dat werkt averechts

Terreurbestrijding

De staat sloeg, veertig jaar geleden, de Molukse terreur niet alleen neer, ze bood daarna ook een helpende hand, schrijft . Laten we daar van leren, nu het IS-kalifaat verslagen lijkt.

15 maart 1978, Provinciehuis in Assen, een dag na de beëindiging van de Molukse gijzeling aldaar. Foto Bert Verhoeff / HH

Aan alle terreur komt een eind. Veertig jaar geleden pleegde het driekoppige ‘zelfmoordcommando RMS’ de wreedste van alle Molukse terreurdaden: de gijzeling in het Asser Provinciehuis. Het bleek de laatste in een lange reeks. Wat Nederland vanaf 1978 goed deed, kan vandaag het wegsterven van de jihadistische terreurgolf bespoedigen.

Op 21 november 2015 gingen in Brussel de scholen dicht, de stad kwam in de ban van de ‘lockdown’. Er was een klopjacht gaande op Salah Abdeslam, wiens bomgordel een week eerder niet was afgegaan bij de aanslagen in Parijs. Pas op 18 maart 2016 werd ‘Europa’s meest gezochte man’ in de Vierwindenstraat in Molenbeek ingerekend, waarop zijn medestrijders hun geplande aanslagen op metrostation Maalbeek en de luchthaven Zaventem versneld uitvoerden.

De nu 28-jarige Abdeslam staat momenteel terecht voor verboden wapenbezit en geweldpleging bij zijn arrestatie. Op de zitting in februari weigerde hij te gaan staan voor de rechters. „Veroordeel mij. Ik ben niet bang voor u”, zei hij. „Ik vertrouw op Allah.” In een webcommuniqué prees IS hem prompt als „een broeder”.

Veertig jaar geleden, op 14 maart 1978, hield mijn moeder mij ook thuis van school. Ik zat in de brugklas van de Christelijke Scholengemeenschap Assen. Schoolgenoot Dicky Helaha, een Molukse jongen van 19 uit Atheneum 5 die vaak spijbelde, was daags tevoren al schietend met twee kameraden het Provinciehuis binnengedrongen. Het moest een „harde actie” worden, hadden ze elkaar vooraf bezworen, met „een vroeg slachtoffer”.

Planoloog Ko de Groot, in gijzeling genomen met 75 lotgenoten in een vergaderzaal, wordt eruit gepikt. „Hee jij daar! Bril!” Hij moet in de vensterbank voor het geopende raam gaan staan en wordt met twaalf kogels in zijn romp naar buiten geschoten.

Pantserwagens verlaten de Johan Willem Friso-kazerne – de stadsring, de Europaweg, wordt afgezet. Een fietsende scholier wordt vanuit het Provinciehuis in zijn buik geschoten. De gemeente schort de leerplicht op. Wij in Assen beleefden onze eigen ‘lockdown’.

Wanneer een van de pantserwagens de kantoorkolos stapvoets nadert om het lichaam van Ko de Groot te bergen, wordt ambtenaar Bernard Hanskamp in de vensterbank onder schot gehouden: ‘Snorretje’ moet roepen voor zijn leven, ziet in gedachten zijn eigen begrafenis aan zich voorbijtrekken en slaagt er ternauwernood in het voertuig rechtsomkeert te laten maken. Het silhouet van ‘Snorretje’ met een pistool in zijn nek haalt de San Francisco Chronicle.

De Provinciehuisgijzeling vindt plaats tegen het einde van de ‘loden jaren zeventig’, met zijn kapingen en ontvoeringen. Najaar 1977 tot voorjaar 1978 geldt als misschien wel het grimmigste terreurseizoen dat Europa ooit heeft getroffen. Het blijkt tegelijk ook een keerpunt te zijn.

Lees ook over de vrijgegeven geluidsopnames van de bevrijdingsactie bij De Punt

Aan alle terreur komt altijd een einde. Criminologen spreken van ‘levenscycli’ van terreurbewegingen; in hun vakliteratuur onderscheiden ze vier generaties terroristen, te beginnen bij de Russische nihilisten van de negentiende eeuw. Rond 1950 volgden de guerrillero’s in de stijl van Che Guevara die de strijd aanbonden met koloniale regimes. De derde generatie was van eigen Europese kweek: goddeloze babyboomers die samengroepten tot marxistische cellen als RAF, Action Directe en Brigate Rosse.

Hun erfopvolgers vormen de vierde generatie: de religieus-islamitisch geïnspireerde terreurgroepen als Al Queda, IS en Boko Haram, wat zich laat vertalen als ‘westers onderwijs is verboden’. Boko Haram roept dan ook expliciet op om leraren te vermoorden.

Of de huidige aanslagen van IS-aanhangers over hun hoogtepunt heen zijn valt nog niet te zeggen. Dat is de lastigheid van ellende waar je middenin zit: je kunt niet weten of het ergste nog moet komen.

In het najaar van 1977 ging het eerst nog van kwaad tot erger. De ‘Duitse herfst’ ving aan op 5 september 1977 met de ontvoering van Daimler-Benz-topman Hanns-Martin Schleyer. Twee weken later schoot RAF-lid Knut Folkerts een politiebrigadier dood in Utrecht; de geknidnapte Schleyer werd van Keulen naar Den Haag gesmokkeld.

Uit solidariteit met de RAF kaapt ‘Martelaar Mahmud’ met drie Palestijnse medestrijders Lufthansavlucht 181 van Palma de Mallorca naar Frankfurt. Na een vijfdaagse omzwerving langs de boorden van de Middellandse Zee wordt het toestel op de luchthaven van Mogadishu bestormd door Duitse mariniers die de kapers doden en de passagiers bevrijden.

Terreur en contraterreur bereiken een climax: de RAF-kopstukken Andreas Baader, Gudrun Ensslin en Jan-Carl Raspe liggen kort hierop dood in hun cel. Zelfmoord, zeggen de autoriteiten. Het lichaam van Hanns-Martin Schleyer wordt op 19 oktober aangetroffen in de kofferbak van een Audi 100 in Mulhouse, met drie kogels in het achterhoofd.

Lees ook het interview met Chris Uktolseja, de broer van de Molukse treinkaapster Hansina Uktolseja

In Assen staan die herfst de treinkapers van De Punt terecht, althans de drie (van de negen) die de bestorming ‘Operatie Mercedes’ hebben overleefd. ONZE WRAAK ZAL KOMEN OP HET MOMENT DAT U SLAAPT, staat er op een spandoek van gemaskerde Molukkers buiten de rechtszaal. Dicky Helaha verschijnt niet meer bij ons op school.

Wat hem doet verharden zijn de huiszoekingen diezelfde maand bij driehonderd Molukse gezinnen tegelijk – in Assen en Bovensmilde. Omsingeld door pantserwagens en met een politiehelikopter boven hun hoofd zijn er jongemannen tot in hun Afro-kapsels gefouilleerd, hun inboedel is overhoop gehaald, er zijn achtertuintjes omgespit. De wapenbuit, kleiner dan verwacht, bestaat uit twee automatische geweren, zeven pistolen en een revolver.

„Het leek wel oorlog”, citeert het Nieuwsblad van het Noorden een omwonende. Voor Dicky is het oorlog. Hij gaat bij de vleesconservenfabriek Coveco werken om geld te verdienen voor wapens. Tussen de uitgebeende varkens ontmoet hij een geestverwant in Nunu Leatemia, 23, met wie hij de Provinciehuisgijzeling voorbereid, later komt de schoolverlater Eli Kakisina daar ook bij.

In een Ford Escort rijden de drie naar het Zeyerveld om schietoefeningen te houden. Ze beschikken over zeven in Antwerpen gekochte vuurwapens die ze verbergen in een vuilniszak in de bosjes bij de Molukse kleuterschool. Vlak voor hun actie bezoekt Dicky een belijdenisfeest van een vriend.

Ik zal de halmen nooit meer zien

Noch binden ooit de volle schoven

Doch leer mij in de oogst geloven

Waarvoor ik dien

Met deze strofe uit De Ploeger van Adriaan Roland Holst, een gedicht dat christenen plegen aan te halen in rouwadvertenties, besluit het ‘Moluks zelfmoordcommando RMS’ hun getypte brief aan de pers.

In het rugzakje dat hij meeneemt stopt Dicky een zwarte cape die hij een etmaal later bij het aflopen van het ultimatum aantrekt: het doodskleed waarin hij moordend wil sterven. Juist als dat moment is aangebroken en de drie elkaar omhelzen ten afscheid van het leven vallen de mariniers van de Bijzonder Bijstands Eenheid binnen. De gijzelnemers worden overmeesterd, maar Dicky vuurt nog en weet de CDA-gedeputeerde Jakob Trip, die klaarzit bij het raam voor zijn executie, dodelijk te raken.

Later dat jaar, op de vraag van de rechter of hij geen berouw heeft van zijn daad, antwoordt Dicky Helaha bevestigend. Ja, hij heeft spijt. Het spijt hem „dat de mariniers hem niet hebben gedood.”

Dicky Helaha (belijdend christen, veroordeeld tot 14,5 jaar cel, overleden in 2007) had een martelaar willen worden. In die zin deed hij niet onder voor Salah Abdeslam. Hoe hemelsbreed hun zaak ook verschilt, beiden overleefden hun terreurmissie tegen wil en dank.

Lees ook over het proces tegen Salah Abdeslam: Even praat Abdeslam, heel even

Er zijn meer parallelen tussen het lot van Dicky en Salah, los van de persoonlijke. Geen van hen is een pionier of voorvechter. Beiden zijn navolgers. Ze geven niet op, maar behoren tot de laatste der mohikanen. Dicky Helaha leverde althans een achterhoedegevecht: de Provinciehuisgijzeling bleek de zwanenzang te zijn van de gewapende strijd van Molukkers in Nederland.

De internationaal geroemde ‘Dutch Approach’ – de inzet van psychiater-onderhandelaars in plaats van mariniers – had gefaald. „Lang praten brengt veel ellende met zich mee”, sprak premier Van Agt na afloop van ‘Operatie Bingo’, de bestorming van het Provinciehuis. „Daarom zeiden we ditmaal: zoals in 1977 (bij De Punt en de school in Bovensmilde, red) moeten we het niet meer doen.”

Toch keerde het tij na 1978 niet door een ronkende oorlogsverklaring aan het terrorisme. De overheid verhardde niet. Integendeel: in een regeringsnota erkende zij ‘het recht op een eigen identiteit’ van de Molukse gemeenschap in Nederland. Precies hier voltrok zich de ommezwaai.

Banenplan, verslavingszorg, oriëntatiereizen, erepenning – het was de Dutch Approach 2.0

Een pleitbezorger van deze alternatieve aanpak was de liberale minister van Onderwijs Aäron (‘Arie’) Pais. Door het voorgeschreven integratierecept van zijn voorgangers te negeren, maakte hij de weg vrij voor ‘bi-kultureel’ onderwijs: Molukse kinderen kregen voortaan les in het Maleis (aardrijkskunde en geschiedenis) én in het Nederlands (maatschappijleer en andere vakken).

Er kwamen grondig herschreven lesboeken koloniale geschiedenis, een ‘Steunpunt Educatie Molukkers’, een banenplan voor werkloze Molukkers, verslavingszorg voor verslaafde Molukkers, een meldpunt discriminatie. En: ‘oriëntatiereizen’ voor militante maar niet-gewelddadige Molukkers (‘gratis vakanties’, De Telegraaf) om de noden en de politieke situatie van hun volksgenoten op de Molukse eilanden ter plekke onder ogen te zien. In 1985 ontvingen de Molukse KNIL-veteranen erkenning voor hun koloniale krijgsdiensten in de vorm van een erepenning en een oorlogspensioentje.

Dit alles tezamen zou je de Dutch Approach 2.0 kunnen noemen, en díe werkte. Na 1978 werd de strijd voor een vrij Ambon met andere middelen voortgezet: vreedzame.

Brussel en de rest van Europa lijken voorlopig nog niet verlost van jihadisten die over voetgangers heenrijden of zichzelf in een menigte opblazen. Begin deze week nog zijn in België acht terreurverdachten opgepakt bij zeven huiszoekingen, onder meer in Molenbeek en Mechelen. En juist vorige maand is de ‘brave broer’ van Salah (Mohammed Abdeslam, die hem tijdens de lockdown opriep tot overgave), opgepakt voor een gewapende overval op ambtenaren, ook in Molenbeek.

Hoewel het denken over de beste anti-terreuraanpak met het aftreden van president Francois ‘we zijn in oorlog’ Hollande een meer heilzame weg is ingeslagen, zijn de lessen van veertig jaar geleden actueler dan ooit.

In wijken die Parijse aanslagplegers voortbrachten klinkt overal hetzelfde geluid, schreef correspondent Tijn Sadée in 2015: „Plots waren ze geradicaliseerd”. Plots? Lees ook: Molenbeek - kroniek van een aangekondigde ramp

Kort na de ‘22/3’-herdenking (Maalbeek, Zaventem) van vorig jaar ontmoette ik een lerares maatschappijleer aan het Brussel Atheneum op een steenworp van de gemeente Molenbeek. Samen met haar gemengde klas had ze in november 2015 in het gebarricadeerde schoolgebouw opgesloten gezeten. Het waren bange uren, de overheid riep op om je zelfs niet aan het venster te vertonen.

14 maart 2015, Parijs. Een dag na zes terroristische aanslagen in de Franse hoofdstad. Die werden opgeëist door IS.

Alex Majoli / Magnum Photos

Sindsdien bespreekt ze met haar klassen de verharding, maar ook de beeldvorming en stigmatisering van met name de gemeente Molenbeek, waar zijzelf ook woont. „We praten over thema’s die de leerlingen zelf aandragen”, vertelde ze. Luisteren naar elkaar, dat is volgens haar de enige manier om de angel uit de situatie te halen.

Het deed me onmiddellijk denken aan een uitspraak van psychiater Henk Havinga, die destijds bij de Molukse gijzelingen naar voren was geschoven als onderhandelaar. „Bij de regering heerste het idee dat psychiaters goed kunnen praten”, zei hij. „Een geweldige misvatting. Ons vak is: luisteren.”

Havinga zag destijds direct in dat er met het zelfmoordcommando van Dicky Helaha niet te praten viel. Als kolonel-arts en lid van de BBE was hij pal achter de mariniers aan het Provinciehuis binnengedrongen. Dit gewapende optreden was nodig, een alternatief was er niet. Maar voor de-radicalisering zijn andere middelen nodig: om te beginnen een scherp afgesteld oor voor de onderliggende, soms terechte grieven waarmee jonge fanatici zich ‘oppompen’ tot wandelende bommen.

Scholen moeten sluiten is het laatste wat je wilt; scholen horen open – en docenten kunnen niet open genoeg staan voor leerlingen die „in hun geweten gevangen” dreigen te raken, zoals Johan Huizinga ‘de terrorist’ al in 1938 typeerde.

De ‘Dutch approach 2.0’ bevat zeker wat betreft het onderwijs waardevolle suggesties. Jongeren ‘bij de les houden’ en serieus nemen, al slaan ze de meest onverdraagzame taal uit, is beter dan ze van school trappen. Niet de leerlingen moeten beter leren luisteren, maar de leraren. Net als de wijkagenten en de politici. Banenplannen (of het scheppen van stageplekken) helpen ook, evenals de erkenning van achterstelling en discriminatie.

Tot nog toe zijn alle terreurgolven weer weggeëbt.

Dit proces valt te bespoedigen. Triomfalisme, denken dat je de strijd tegen de terroristen met geweld kunt winnen, bijvoorbeeld omdat het IS-kalifaat in Syrië en Irak zo goed als verslagen lijkt, woelt nieuwe frustratie boven. Nu natrappen door het opnieuw aanheffen van oorlogsretoriek, werkt averechts.

    • Frank Westerman