Recensie

Onze Couperus tegen jullie Tolstoi

Michel Krielaars

Mijn Russische vriend Misja was op bezoek en wees naar het volledige werk van Couperus in mijn bibliotheek. ‘Wie is de schrijver van die meter boeken?’ wilde hij weten. ‘Louis Ivanovitsj Couperus,’ antwoordde ik, ‘zeg maar onze Lev Nikolajevitsj Tolstoj.’

‘Hoezo jullie Tolstoj?’ vroeg Misja. ‘Geen schrijver ter wereld is zo groots als hij.’

‘Dat zie je verkeerd’, zei ik. ‘Een van de mooiste romans van onze Couperus gaat over een hysterische vrouw die sterk aan Anna Karenina doet denken. En stilistisch is die roman, Eline Vere genaamd, veel beter. Als onze Couperus in het Engels, Duits, Frans of Russisch had geschreven, dan was hij waarschijnlijk even wereldberoemd als jullie Tolstoj.’

‘Wordt die Koepjeeroes van jullie hier dan net zo goed gelezen als onze Tolstoj in ons grote Rusland?’ vroeg Misja.

‘In ons kleine landje wordt niet meer zoveel gelezen,’ antwoordde ik beschaamd. ‘En als er al gelezen wordt, dan legt Couperus het af tegen Gordon.’

‘Gordon?’ vroeg Misja. ‘Jullie Poesjkin?’

‘Zoiets’, zei ik, denkend aan Poesjkins literaire ster.

Toen Misja was vertrokken, haalde ik Couperus’ Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan… uit de kast. Ik begon erin te lezen en kon niet meer ophouden, zo goed was het, zo scherp waar het over de schijnheilige mentaliteit van deftig Den Haag gaat. ‘Van zo’n elegante stijl kan jullie Tolstoj nog wat leren’, had ik Misja nog willen zeggen.

Ik plofte op de bank en las verder. En ineens stuitte ik op een passage die me vroeger niet was opgevallen, maar die een verklaring zou kunnen vormen voor het papieren succes van Gordon. Het is waar de schrijver Lot, een op Couperus gelijkend personage, zich uitlaat over de toekomst van de roman als kunstwerk: ‘Want wie over de dertig zijn, en niet van het vak, lezen niet meer romans of gedichten.’ En waar Lot zich over zijn leeftijdgenoten uitspreekt, lees je: ‘Als ik nu schrijf, heb ik de bourgeoise pretentie gelezen te willen worden door mijn tijdgenooten, bijna-veertigers. Hùn interesseert het actueele leven, psychologiesch gezien, maar gegeven in concrete waarheden en niet omwaasd en verdicht en verdramatizeerd voor gefingeerde personages.’

Ineens begreep ik waarom mannen van bijna-veertig plus van nu vaak alleen nog maar non-fictie lezen: biografieën, geschiedenis, actuele boeken over markteconomie en China. Maar waar Lot nog kon rekenen op lezers onder de dertig, zijn die in Nederland tegenwoordig schaars. Het verzonnen verhaal staan dan ook magere tijden te wachten.

Hier biedt Couperus troost. Want hij laat Lot zeggen waar het in alle tijden op neerkomt: lezen is voor een kleine groep, die altijd heeft bestaan en ook zal blijven bestaan. ‘Het is voor de menschen, diè er om geven, niets dan een pleiziertje. Maak je toch niet wijs, dat er veel invloed uitgaat van kunstenaars. Alle kunsten zijn ivoren torentjes met kleine deurtjes, voor de ingewijden.’

Sinds de vroege dood van Couperus in 1923 zijn die ingewijden alleen maar in aantal toegenomen. De Boekenweek, die vanavond van start gaat, vaart er hopelijk wel bij. Ook al is het met Gordon als superster in de bestsellerlijst.

    • Michel Krielaars