Recensie

Op de Beeck jakkert de bekende boodschap erdoorheen

Boekenweekgeschenk

Griet Op de Beeck laat graag zien dat de dingen wél lukken. Dus een 71-jarige vrouw die haar leven omgooit en verliefd wordt op een Afrikaanse man, gaat het voor de wind. Maar geloofwaardig maakt ze dat niet.

De rest van de wereld mag er anders over denken, maar een personage van Griet Op de Beeck heeft altijd gelijk. En handelt daarnaar. ‘Uw leven is van u’, is de boodschap van de Vlaamse schrijfster, luister naar jezelf en maak er wat van. Of zoals het motto in haar Boekenweekgeschenk deftig Hamlet aanhaalt: ‘This above all: to thine own self be true’. Olivia, 71 jaar, was dat niet, blijkt als zij haar echtgenoot onbewogen ten grave draagt.

Het Boekenweekgeschenk Gezien de feiten, pas het vijfde prozawerk van Op de Beeck (1973), beschrijft Olivia’s bevrijding van de huwelijkse ketenen en haar keuze voor ‘zichzelf’. Ze gaat naar Afrika om zielige kindjes te helpen, wordt daar verliefd op Daniel en dat blijkt wederzijds. Jammer voor haar volwassen kinderen, voor wie het wel wat snel gaat, en die bij de eerste ontmoeting met de zwarte man het wagen te vragen: ‘Is hij getest op ziektes?’

Bij de meeste literaire schrijvers zou Olivia’s leven dan een noodlottige wending krijgen, maar dat lijkt haar bespaard te blijven. De geharde optimist Op de Beeck laat in haar proza immers graag zien dat de dingen wél lukken – zoals in de incestverwerkingsroman Het beste wat we hebben (2017) en de verhalenbundel Gij nu (2016), waarin de personages hun lot stevig en succesvol in eigen handen namen. Dat is ook de grote lijn van Gezien de feiten.

Op de Beeck schrijft aanvankelijk nog overtuigend, als ze inzoomt op Olivia’s ambivalente ongemak met het nieuwe vrije leven. En hoewel de ogen van het schilderij van haar overleden man wat al te vaak priemen, kun je dan ook nog een grappige zin aantreffen, waarin je de benauwenis voelt: ‘De koffiemachine pruttelde steeds feller.’ Maar als de dingen gaan lukken, als Olivia naar Afrika vertrekt, gaat dat met wel heel onelegante sprongen in de tijd. Páts, en alles gaat goed in het armoedige, vieze opvangkamp, terwijl Olivia eerder nog geen eksteroog kon aanraken. Het verhaal stapt eroverheen, maakt haast.

Dat gejakker maakt Gezien de feiten steeds onbeholpener: Op de Beeck zegt dát de dingen lukken, maar neemt steeds maar geen tijd om te tonen hoe. ‘Voor het eerst benoemde ze hardop hoe ze zich voelde’, staat er, als Olivia met Daniel spreekt – maar hoe ze zich dan voelde wordt verzwegen. Zo blijft ook de verliefdheid een mededeling, hoogstens verwoord in een reeks clichés: ‘Ze keken naar elkaar, en al wat doodsbleek was kreeg weer kleur’, en zo nog een paar. Zo sijpelt het leven weg uit het personage, en de geloofwaardigheid uit het verhaal.

Je gaat de liefde dan alsnog wantrouwen – je ziet als lezer óók de feiten, met als alarmerendste feit dat de wereldproblematiek roet in het eten gooit, een gegeven dat Op de Beeck overigens weer niet erg subtiel of elegant in het verhaal dropt. Maar feiten of niet, het verhaal lijkt de vermetele Olivia gelijk te geven. Twijfel en argwaan blijven voorbehouden aan haar racistische, behoudzuchtige kinderen, dus je kijkt als lezer wel uit.

Dat er te elfder ure tóch nog een suggestie van een noodlot opduikt, maakt het er niet beter op. Alsof Op de Beeck op het allerlaatst niet meer true durfde te zijn to her own self, omdat ze inzag dat dat geen literatuur opleverde.