Picasso, Chanel en Dietrich gingen je hier voor

Kunst op reis Waar leefden kunstenaars? Op reis naar de plekken waar zij hun stempel drukten. Deze week Villa Santo Sospir in St. Jean Cap Ferrat.

Jean Cocteau (1889-1963) kon van alles een beetje: schrijven, tekenen, toneelspelen, regisseren, ontwerpen, choreograferen, dichten. Nergens blonk hij echt in uit, of was hij toonaangevend. Zelfs heulen met het Vichy-regime tijdens de Tweede Wereldoorlog deed hij een beetje. De vermaard geworden halfslachtige toost die hij uitbracht op de samenwerking tussen de nazi’s en het Vichy-regime verwoordt dat precies: „Long live this shameful peace”. Toen het Vichy-regime zich later tegen hem keerde zocht hij zijn heil niet bij het verzet, maar bij Arno Brecker, Hitlers favoriete beeldhouwer die hij nog van vroeger kende. Beetje vreemd ook dus.

Waar hij wel goed in was, was verslaafd zijn aan verdovende middelen van divers pluimage (absint, opium), zich omringen met belangrijke, beroemde en invloedrijke vrienden, homoseksueel zijn (zijn verhouding met de beroemdste Franse filmacteur uit zijn tijd, Jean Marais, droeg in hoge mate bij tot zijn faam; hij genoot van de controverse die het teweegbracht), klaplopen, uitvreten en logeren.

Aan dat laatste danken wij de villa Santo Sospir. In 1950 draaide Cocteau zijn film Enfants Terribles met in de hoofdrol een meisje Rothschild, niet zozeer door Cocteau gekozen vanwege haar acteertalent als wel voor haar centen. Zij introduceerde hem bij haar eveneens schatrijke nicht Francine Weisweiller die in St. Jean Cap Ferrat de villa Santo Sospir bezat. Na de opnames (die zij medefinancierde toen Cocteau weer eens blut was) vroeg ze hem daar een weekje te komen logeren samen met zijn als adoptief aangenomen zoon slash liefdesvriend Édouard. Dat weekje werd een maand, toen een jaar en uiteindelijk elf jaar.

Op een landerige zondag, toen Francine en hij zich weer ’s grondig verveelden (in de diverse biografieën omschreven als ‘ennui’, zijnde een moeilijk te vertalen chique vorm van vervelen) vroeg Cocteau of hij een tekening mocht maken op de witte muur boven de schoorsteen. Dat mocht. Net als zijn logeerpartij groeide die tekening gestaag verder in de ene muurschildering na de andere: van de schoorsteen naar de deur, de gang in, de trap op, kamer in, kamer uit, in de loop der jaren schilderde hij alle muren vol, voegde hier en daar mozaïeken toe, maakte wandkleden en hing die daartussen op, bakte potten en schalen en beschilderde ook die en zette ze her en der neer en toen dat allemaal gedaan was, richtte hij zich op de vloeren en de plafonds.

De voorstellingen zijn een combinatie van mythische figuren (hij was dol op de zogeheten Griekse profielen), eenhoorns, de maan, de zon en de sterren, stoere boerenjongens met broden, zee-egels en schelpen en meer van de dingen die hij zijn leven lang uitbeeldde. Hij gebruikte een beperkt en gedempt kleurenpalet zoals die bij tatoeages gebruikt worden, want hij zag de muren niet als muren maar als ‘de huid van het huis’ en noemde de beschilderde villa niet een beschilderde villa, maar een ‘villa tatouée’, een getatoeëerde villa.

Greta Garbo, Marlene Dietrich, Pablo Picasso, Coco Chanel, ze kwamen allemaal op bezoek, niet zozeer om al het moois te aanschouwen, als wel om te drinken en te feesten. Toen Francine een nieuwe liefde kreeg en hij Cocteau sommeerde het huis te verlaten, verbrak Cocteau de vriendschap met Francine. Ze zouden elkaar nooit meer zien. Gelukkig hield de nieuwe liefde wel van Cocteau’s werk, dus dat bleef bewaard.

In 2003 erfde Francine’s dochter Caroline de villa die – door het gesamtkunstwerk dat het was geworden– door de belastingdienst torenhoog werd getaxeerd (schattingen liepen toen tot 40.000 euro per vierkante meter). Francine stierf berooid, dus geld voor de erfbelasting was er niet. Om die te ontlopen werd de villa gekwalificeerd als een nationaal historisch monument en is ze nu het hele jaar door op afspraak te bezoeken.

    • Ivo Weyel