Recensie

Steef de Jong met leerzaam knutseltheater over Orfeo

Muziektheater Theatermaker Steef de Jong vertelt hoe de mythe van Orpheus componisten inspireerde. Bijzonder zijn de primitieve, zelf geknutselde decors en kostuums.

Scène uit ‘Orfeo’ door Steef de Jong Foto Bowie Verschuuren

De openingsscène van Orfeo, een drama van karton is veelbelovend. Steef de Jong en Marieke Hopman komen op als edellieden met pruik én drie benen: van de twee die in een fleurige broek zijn gestoken, is er één aangenaaid. Terwijl ze balanceren op één in zwart gekleed been, dansen de andere twee benen de cancan.

Het is vrolijke, opzichtige namaak. Dat herinnert aan De Modern Art Revue, die theatermaker Steef de Jong vorig jaar maakte met Alex Klaasen – een van de grappigste en meest inventieve toneelvoorstellingen van het jaar. Met talloze vermommingen en wisselende kijkdoosdecors creëerde het duo toen een betoverend theateruurtje.

Mythe

Het karton uit de ondertitel van Orfeo wijst op eenzelfde poging tot knutseltheater. Maar De Jong richt zich deze keer op de dramatische mythe van Orpheus. Orpheus haalt zijn plots gestorven geliefde Eurydice uit het dodenrijk op, maar schendt de voorwaarde dat hij bij de tocht terug naar boven niet mag omkijken. Dan sterft Eurydice alsnog.

De Jong vertelt het verhaal, begeleid door Hopman op accordeon, en legt uit hoeveel kunstenaars dit liefdesverhaal heeft geïnspireerd. Te beginnen bij Ovidius, die het opnam in zijn Metamorfosen, en dan door naar de opera’s van Monteverdi en Gluck. Allerlei wetenswaardigheden dist De Jong erbij op, en met Hopman zingt hij liederen.

Koddige hoofddeksels

Bij elke scène klapt er in het decor een nieuwe, enorme map open – als een pop-up. En steeds ook wordt De Jong in een ander papieren kostuum gehesen, en krijgt hij koddige hoofddeksels opgezet door twee oude toneelknechten die in beige stofjassen alle metamorfosen begeleiden.

Maar zo fraai als de kostuums zijn, zo ongevormd en nietszeggend zijn de decorstukken. Dat is jammer. Ook de verhalen blijven aan de schoolse kant. Grapjes worden er nauwelijks gemaakt.

Typerend is dat de hulpjes geen Malle Pietjes mogen zijn, maar zwijgend en ingetogen hun werk doen. Het resulteert in een wat stroeve voorstelling, die nog net overeind blijft – dankzij de charme van De Jongs knip- en plakwerk.

    • Ron Rijghard