Column

Hoe kaler, hoe beter

Een beetje ongemakkelijk, wanhopig bijna, loop ik door het straatje dat geen straatje is. Stellingen aan weerszijden, foto’s, cijfers, woorden: meer is het straatje niet. Toch loop ik door de ‘Rapenburgerstraat’ en kijk nieuwsgierig van beneden naar boven om te zien wie er op een bepaald nummer woonde. Dat weet zo’n expositie dan toch maar te bereiken: dat je van alles wilt weten hoewel je alles al wist. Dacht je. Het is de kracht van non-fictie, van loepzuiver documenteren, van er zo min mogelijk aan toevoegen: kijk maar goed, hier woonde Clara Pont op nummer 16. Geboren 22 mei 1918 in Amsterdam. Overleden Sobibor 21 mei 1943.

Mijn ogen schieten van links naar rechts en zo zie ik dat Clara op een dag na 25 jaar is geworden. En pardoes vraag ik me af of Clara in het vernietigingskamp nog stiekem aan haar verjaardag heeft gedacht. Beschaamd duw ik de vraag in het laatje Ongepast. Kijk nog even naar haar foto. Loop snel weer door.

In de hoge stenen hal van het Stadsarchief klinkt geen vioolmuziek. Geen diepe zware stem die uitlegt hoe verschrikkelijk de holocaust was. In de expositie Rapenburgerstraat 1940-1945 ben je één met de feiten. Juist het ontbreken van duiding, van sentimenten maakt dat je huivert bij iedere stap in de administratieve weergave die samensteller Guus Luijters en ontwerpers Victor Levie en Marit van der Meer van de straat hebben gemaakt.

Van nummer 1 tot 199 komt de Rapenburgerstraat tot leven, de straat waar praktisch iedereen Joods en arm was; de Straat zonder Spijt omdat er geen zijstraten waren en waar geen ontsnappen aan was toen vijfennegentig procent op transport moest, waarna vrijwel niemand terugkeerde.

Voor onderduik moest je niet-Joden kennen, en geld hebben. De mensen hier kenden alleen elkaar en niemand had wat.

Voor zover ze werk hadden, waren de bewoners marktkooplui (en stonden dus keurig met foto en al geregistreerd, wel zo handig voor de Duitsers) of ze waren karrenverhuurders, naaisters, sjouwers, borstelmakers, slachters, lederbewerksters – en wat ze ook waren, ze waren een simpele prooi. Hoe laat je dat een bezoeker voelen? Door in enkele zinnen te vertellen wat ze deden, met hoevelen ze driehoog achter woonden, naar welke school ze gingen. En er dan op dezelfde nuchtere toon aan toevoegen wanneer ze werden opgehaald en waar ze werden vermoord. Het drama erachter vul je zelf in, ongepast of niet. Hoogst ongemakkelijk.

Ik loop er Guus Luijters tegen het lijf. Die zegt: „Geen poespas. Hoe kaler hoe beter.”

Een briljant idee. Briljant uitgevoerd. Ik loop door de Rapenburgerstraat en links en rechts kijken de paupers me aan, de Joden die er niet meer mochten zijn, sloebers met gezichten en hoeden en petten, met alledaagse kwesties die abrupt eindigden als een zin. Waarna een punt, een nieuwe zin. Maar geen verhaal. En dat werkt: uiteindelijk loop ik de straat uit met een hoofd vol poespas.

Auke Kok is schrijver en journalist.