Foto Roger Cremers

De dove Tobias: ‘Doven eten altijd koud’

Lunchinterview Alex de Ronde (60) en zijn dove zoon Tobias (29) maakten samen een film over doofheid. „Vroeger zei je: sorry, ik ben doof. Na afloop van de film zeggen mensen: sorry, ik ken geen gebarentaal.”

Alex de Ronde (60) had aan twee pannendeksels genoeg om vast te stellen dat zijn zoon helemaal niks hoorde. Achter z’n rug, deksels tegen elkaar, katsjing! „Hij gaf geen krimp.” Tobias, één jaar, was doof. Eerste gedachte, toen: „Wat moet er in godsnaam terechtkomen van zo’n jochie?” De documentaire Doof kind die nu in de bioscopen draait, gemaakt door vader én zoon, is het beste antwoord op die vraag. Dit, dit is er van Tobias geworden. We zien hem studeren in Washington, kamperen in Frankrijk, lesgeven op Hogeschool Utrecht. Hij danst, hij lacht, huilt één keertje. Hij is nu 29 en o ja, hij is dus doof.

Dove leeftijdgenoten vinden de film bijna saai, zegt Tobias. „Ze zeggen: ‘wat is hier zo bijzonder aan?’” Voor horenden ontsluit de film een volstrekt onbekende wereld, met een eigen cultuur, taal en identiteit. Zie Tobias in bed liggen met Christina, zijn Deense vriendin. Hun gezichten dicht bij elkaar op één kussen. Zijn moedertaal is Nederlandse gebarentaal, de hare de Deense. Onderling gebruiken ze Amerikaanse gebarentaal, ze leerden elkaar kennen op Gallaudet University, de dovenuniversiteit in Washington. Ze zijn duidelijk druk in gesprek, hun handen bewegen snel en sierlijk, ze lachen zonder geluid. Horenden herkennen hun intimiteit, maar begrijpen geen jota van wat er tussen die twee gebeurt.

De trailer van Doof Kind.

Om met vader én zoon te kunnen praten, is er een gebarentolk bij de lunch. Hij zegt wat Tobias gebaart, en zet onze zinnen om in gebarentaal. Een tolk erbij is professioneler, zegt Tobias. „Het is een principekwestie,” zegt vader Alex. „Een vader die voor tolk speelt, krijgt een rare dubbelrol.” Vertalen, zegt Tobias, is een beroep. „Een tolk kent de context, de achtergrondgeluiden, de nuances.” Vader Alex, mompelend: „Die doven met dat rare taaltje van ze, dat vertaal je wel even. Zo werkt het dus niet.” Ondertussen gebaart hij met zijn rechterhand in Tobias’ blikveld, en vertelt mij dat Tobias en zijn vrienden een nacht in de cel hebben gezeten. „De politie dacht dat ze stomdronken waren, met die rare dovenklanken van ze.” Tobias lacht, maar gebaart dat hij er nog kwaad om kan worden.

Het gebaar waarmee Tobias duidelijk maakt dat hij doof is, is vrij subtiel. Hij tikt op zijn oor, en maakt een ontkennende beweging. „Vroeger zei je: sorry, ik ben doof,” merkt zijn vader op. „Klopt”, zegt Tobias. „Ik ben er anders over gaan denken.” Samen reizen ze nu door het land om de film te vertonen. Alex de Ronde: „Na afloop zeggen mensen: ‘sorry, ik ken geen gebarentaal.” Tobias hikt van de lach en steekt twee duimen in de lucht.

Aanpassen is een beladen woord

Alex de Ronde is geen filmmaker, zegt hij. Hij is journalist, was 25 jaar filmcriticus – ook voor NRC – en is nu directeur van filmtheater Het Ketelhuis in Amsterdam. Waarom hij dan toch deze film maakte? „Omdat ik nog nooit een film had gezien over een doof kind als Tobias.” Bijna iedereen kent wel Children of a lesser God, een speelfilm uit 1986. Doof meisje weigert ‘gewone’ taal te spreken, maar uiteindelijk draait ze bij. En met enige regelmaat verschijnen er nu online filmpjes die een vast stramien volgen: „Dokter in witte jas sluit implantaat aan op hoofd van dove. En, tatterata: dove hoort voor het eerst stem van moeder/vader/geliefde. Missie geslaagd: de dove is horend. Einde filmpje.” Onze film, zegt Alex de Ronde, brengt een ander geluid. Dat van de dove die nooit zal horen, en die dat prima vindt.

NRC gaf vier ballen voor de documentaire Doof Kind, lees hier de recensie.

„Bestel maar biefstuk,” zegt de vader tegen zijn zoon. Half plagend: „Je ziet een beetje wit.” Vader en tolk vertrekken daarop naar buiten om te roken, en dan is het ineens stil aan tafel. Tobias leest de berichten op zijn telefoon, maar kijkt op bij de kleinste beweging die ik maak. Als de serveerster komt, articuleert hij, met stemgeluid, wat hij hebben wil. Als we weer compleet zijn, vertelt zijn vader dat de oorzaak van Tobias’ aangeboren doofheid onbekend is. Destijds kwam hij niet in aanmerking voor een cochleair implantaat, een apparaat dat chirurgisch in het hoofd wordt vastgezet en dat geluid omzet in elektrische pulsen.

„Ik heb gehoorapparaatjes gehad”, zegt Tobias. „Je vergat die dingen steeds,” zegt zijn vader. Wat hoorde hij met dat apparaat? Tobias aarzelt. Het politieke antwoord is: „Niks.” Hij is zo gehecht aan zijn dove identiteit, dat hij niet eens de schijn wil wekken dat horen hem iets doet. Zijn eerlijke antwoord: „Er trilde iets in mijn hoofd. Ik voelde mezelf in mijn oor. Niet prettig.” Je hebt die dingen afgedaan, zegt zijn vader. „Daarna is het nooit meer ter sprake gekomen.”

Foto Roger Cremers

Toen hun zoon doof bleek, deden Alex de Ronde en zijn vrouw wat voor hen vanzelfsprekend was: ze gingen op gebarentaalles. Voor Tobias’ geboorte was het doven decennia lang verboden gebarentaal te gebruiken. Ze moesten leren praten, spraakafzien (liplezen) en integreren in de horende wereld. Zeker voor prelinguaal doven, die nooit gesproken taal hoorden, is dat vrijwel onmogelijk. Tobias draait zich naar zijn vader: „Wat zeg ik?” Hij articuleert stemloos een woord. „Maan? Baan?” gokt z’n vader. Triomfantelijk draait hij zich naar mij. „Met alleen spraakafzien kom je nergens.” Het is misdadig, zegt zijn vader, om een doof kind oraal op te voeden.

Maar nu moest de familie zich aan hém aanpassen, in plaats van andersom, zeg ik. Alex de Ronde: „Wat ik nou zo gek vind… Als je een kind tweetalig opvoedt, vindt iedereen dat een verrijking. Maar als het om gebarentaal en Nederlands gaat, is het ineens een aanpassing.” Tobias, sussend: „Aanpassen is een beladen woord. Zeg je: doofheid is een handicap, zoiets als een ontbrekend lichaamsdeel? Dan is gebarentaal een aanpassing, een rolstoel voor wie niet lopen kan. Maar zeg je: een dove heeft een andere taal en cultuur, dan is het ineens een heel ander discours.” Als we met z’n tweeën zijn, zegt Alex weer, dan gebruikt hij zijn stem. „Dat doet hij voor mij. Over aanpassen gesproken.”

Ze naderen elkaar nog dichter

Tobias’ familie heeft hem laten zijn zoals hij is: doof. Eind jaren tachtig brak de „gouden tijd in dovenland” aan. Tweetalig onderwijs werd mode. Dove kinderen leerden eerst gebarentaal, met een eigen grammatica, woordenschat en syntaxis en daarná Nederlands. „Tobias viel voor ons niet bij te houden. Konden wij net ‘wil je een banaan’ zeggen, hield hij al monologen.” Joachim, de anderhalf jaar oudere broer, leerde Tobias’ taal van Tobias zelf. Er wordt nu hard gelachen aan tafel, ik snap niet waarom. Joachim blijkt woorden als ‘appel’ en ‘niet doen’ precies de verkeerde kant op te gebaren. Geen dove die hem begrijpt, behalve zijn broertje.

Joachim krijgt in de film de ruimte om te zeggen dat hij het best irritant vond dat Tobias hem wél kon roepen als het wc-papier op was, maar hij hem nooit. Dat hij prima kan communiceren met Tobias’ vrienden, maar Tobias niet met die van hem. „Als hij op mijn feestje is en met niemand praten kan, voel ík me gehandicapt.” Alex de Ronde: „Ik adviseer alle ouders om genoeg tijd apart door te brengen met het niet-gehandicapte broertje of zusje. Ze hebben het niet makkelijk.” Hij vertelt dat hij op Joachims school moest komen, er waren wat strubbelingen. Of er thuis problemen waren. „Ik zei: ‘Problemen? Nee hoor. Of nou ja, zijn broertje is doof, en zijn moeder dood.’” Ze overleed in 1995, Tobias was net 6, Joachim 7.

Hij had ook een eenzame dove kunnen worden, werkloos en ongelukkig

Alex de Ronde over Tobias

Tobias ging niet naar een reguliere middelbare school, maar naar de havo op het doveninstituut in Haren, Groningen. Daar zat hij ook op internaat. „Ik beloofde hem elke dag te bellen via de teksttelefoon. Na twee dagen vond hij dat niet meer nodig.” Hij studeerde aan de dovenuniversiteit in Washington. Eén groot dovendorp, zegt Tobias. „Zelfs de politieagenten kennen gebarentaal.” Onderling weten doven precies wie uit een dove of een horende familie komt. „Kinderen van horende ouders maken meer stemgeluid. Kinderen uit een generatie van doven smakken bij het eten, slaan met kasten en deuren. Ze zijn zich totaal niet bewust van geluiden.” Tobias zet zijn koffiekopje behoedzaam op het schoteltje. „Ik heb geleerd dat langzaam te doen.” Doven denken dat hij uit een dove familie komt. Hij klopt zich op de borst: „I’m proud of it.” Zijn vader: „We hebben je wel extra logopedieles laten doen. Om je nog een béétje te laten integreren…” Sessies waarbij de logopedist met haar vinger in zijn mond aanwees hoe hij de klank moest vormen. „Verschrikkelijk”, zegt Tobias. „Maar toch: dank daarvoor. Dankjewel.”

Lees ook: Hoe doven van een popconcert genieten

Ons bord is leeg, dat van de tolk is onaangeroerd. Gebaren, stemtolken én eten, dat gaat niet tegelijk. Niet erg, zegt hij, hij is gewend aan koud geworden eten. Tobias: „Doven eten altijd koud.” Zijn vader: „En ze meppen alle flesjes van tafel.” Tobias slaat hem op z’n schouders. „Goeie, pa.” Nu ze met hun film festivals afreizen, naderen ze elkaar nog dichter. Hij heeft het goede karakter om doof te zijn, zegt zijn vader. „Hij had ook een eenzame dove kunnen worden, werkloos en ongelukkig. Die zijn er ook, hè.” Ja, knikt Tobias. „Er ontging me vroeger veel. Maar ik speelde met mijn autootjes en vond mijn wereld prima.” Hij heeft een goed beroep, zegt zijn vader. Hij is docent gebarentaal. „De horenden komen naar hém toe om zijn taal te leren. Hij is een zondagskind.”

    • Rinskje Koelewijn