Hoe weet je wanneer de liefde op is?

Relaties Bijna 40 procent van de huwelijken strandt. Een essay over het einde van de liefde.

Foto Istock

‘Is het op?” vraagt Simone Coelman, gespeeld door Anneke Blok, in de film Alles is liefde. Ze heeft zich huilend in de meterkast opgesloten in de veronderstelling dat haar man bij haar weg wil.

„Is wat op?”, vraagt haar man Ted, gespeeld door Thomas Acda, die vertwijfeld voor de dichte kast ijsbeert.

„Tussen ons?”

„Hoe kom je dáár nou bij? Lieverd, het is toch nooit op?!”

Deze scène heeft me altijd geïntrigeerd. Kan liefde tussen mensen ‘op’ zijn? En hoe weet je dat dan? Is liefde een emmer die leeg kan raken? Gaat hij lekken, kun je die gaten dan dichten en de emmer weer vullen? En hoe kun je nou zeker weten dat die emmer altijd gevuld blijft?

Bijna 40 procent van de huwelijken strandt. Volgens gegevens van het CBS uit 2014 zijn de vier meest voorkomende redenen: op elkaar uitgekeken zijn, geen vertrouwen meer in elkaar hebben, botsende karakters en verliefdheid op iemand anders. Wat is het moment waarop mensen weten: nu is mijn liefde op, nu kan ik niet meer met hem/haar verder?

„Het was een heel duidelijk moment”, vertelt een gescheiden kennis. „Het was in onze huiskamer, we hadden een feestje en mijn man negeerde openlijk wat ik hem vroeg. De kinderen waren erbij, onze familie was erbij. Het was de zoveelste keer dat hij mij in het openbaar afwees. Ik dacht ineens: ‘Het is stuk.’ Het voelde als een blikseminslag. En toen heb ik dat natuurlijk weggedacht, want er was geen sprake van dat het voorbij kon zijn, dit gezin. Ik ging gewoon weer met het bord met toastjes rond. Zo zijn er nog meer momenten geweest dat ik me realiseerde dat mijn liefde kapot was, zonder dat ik er een consequentie aan verbond. Dat deed ik pas jaren later.”

Een andere gescheiden kennis zegt: „Mijn vrouw was al heel lang aan het twijfelen of ze bij me zou blijven. We hadden er al zo vaak over gesproken. Op een ochtend zei ze weer: ‘Ik weet 80 procent zeker dat ik bij je wegga.’ Het was een heel koude januari-ochtend, het ijs lag centimeters dik op het water achter het huis. Ik keek naar buiten, en dacht: ‘Ik wil schaatsen.’ Ik draaide me om, bond mijn Noren onder, gleed het ijs op en dacht: ‘Ik heb geen zin meer in jou’. En toen was het klaar.”

Minachten en jezelf steeds verdedigen

Er is volgens de wetenschap een tijdlijn naar het einde van de liefde. De Amerikaanse psycholoog John Gottman vraagt stellen in zijn ‘love lab’ een doorlopend meningsverschil te bespreken. Door de manier waarop ze dat doen, kan hij voorspellen of de twee uiteindelijk uit elkaar zullen gaan. Sommige vormen van ‘negativiteit’ zijn volgens hem dodelijk voor een relatie, hij noemt ze ‘de vier ruiters van de Apocalyps’.Dat zijn: kritiek leveren op elkaars karakter, minachtend doen (sneren, cynisme, met de ogen rollen, sarcastische grapjes maken). Jezelf steeds verdedigen in plaats van naar oplossingen zoeken, en je afsluiten voor de ander. Wie zich steevast door zijn partner bekritiseerd en geminacht voelt, gaat afstand nemen van de relatie, en daarmee gaat de emotionele verbondenheid verloren. Die verbondenheid wordt door psychologen als de lijm van een relatie gezien.

Voor die verbondenheid is veiligheid nodig, stelt Wilbert Kok, relatietherapeut in Amsterdam en woordvoerder van de Nederlandse Vereniging voor Relatie- en Gezinstherapie. „Ik zie soms in mijn spreekkamer stellen van wie ik denk: ‘Ai, dat gaat heel slecht, er is een hoogopgelopen conflict, er is kritiek, er zijn beschuldigingen, er is minachting voor elkaar, langzaam wordt de relatie helemaal onderuitgehaald.”

Kok zegt dan tegen zijn cliënten: „Jullie maken het nu heel onveilig voor elkaar. Als jullie hier zijn om toenadering tot elkaar te zoeken, moet je dat niet doen zo” – en dan wijst hij die negatieve gedragingen stuk voor stuk aan.

Lees ook het interview met Corine Koole: ‘Ook als je getrouwd bent, is er geen wij’

Kleine kwetsuren bagatelliseren, dat is ook vragen om problemen. Jan Drost is filosoof en auteur van boeken over de liefde, waaronder Als de liefde voorbij is. „Je ziet iets onverschilligs in de blik van de ander, of je wordt onzeker omdat ze naar een andere man kijkt”, geeft hij als voorbeeld. „Je moet die kleine pijnpuntjes niet negeren of bagatelliseren als de ander erover begint; niet zeggen ‘Ah joh stel je niet aan’, want er zitten grote gevoelens onder. Verlatingsangst bijvoorbeeld. Als die kleine wondjes niet worden schoongemaakt, gaan ze etteren.”

Het risico voor partners met kinderen

Liefde is geen emmer, zegt de filosoof, misschien dan eerder een tuin, die je samen tot bloei brengt of verwaarloost, „waardoor de grond verarmt en er niks meer groeit”. De kleine kwetsuren zijn dan het onkruid.

Je moet wel werken in die tuin, zeggen Drost en Kok. Liefde moet je dóén, zeggen ze. Partners met jonge kinderen lopen volgens Kok het meeste risico elkaar te verliezen. „Het is de levensfase waarin de meeste eisen worden gesteld: zorg voor kinderen, de loopbaan, soms zorg voor ouders. Mensen kennen elkaar nog niet zo lang en denken: het zit wel goed tussen ons. Denken: die liefde van ons is iets vanzelfsprekends. En dan gaan ze daar op inleveren om al die andere dingen zo goed mogelijk te kunnen doen. En dan blijkt die liefde toch niet vanzelfsprekend.

„Je moet zeker een dagdeel per week voor elkaar uittrekken”, zegt hij. „En een dagdeel per week voor jezelf.”

De eerste scheurtjes. Een geliefde die zegt: ‘Wat bel je vaak’, die begint over de voordelen van een open relatie, die begint over ‘de kloof tussen ons’. „Het wordt allemaal kalm omsingeld door liefde en kameraadschap”, laat schrijfster Doeschka Meijsing hoofdpersoon Pip van der Steur nog zeggen in haar roman Over de liefde.

Liefde is geen emmer, misschien dan eerder een tuin

Maar ze heeft het wel ineens altijd zo koud. Het omdraaien in bed, het zonder ook maar iets te zeggen gaan slapen. De Amerikaanse auteur Nicole Krauss schrijft in haar recente roman Donker woud: „’s Nachts keerde mijn man mij zijn rug toe om te gaan slapen aan zijn kant van het bed, en ik keerde hem mijn rug toe om te gaan slapen aan mijn eigen kant, en omdat we geen manier konden vinden om tot elkaar te komen, omdat we de afwezigheid van de wens om tot elkaar te komen hadden verward met de angst om tot elkaar te komen, gingen we allebei slapen terwijl we verlangden naar een andere plek die niet hier was. En pas in de ochtend, wanneer een van onze kinderen bij ons in bed glipte, werden we teruggebracht naar de plek waar we waren en werden we herinnerd aan de sterke band die we hadden.”

Nu komt de tijd van de twijfel. Is het op, nee, ja, nee toch, asjeblieft niet.

Lees ook het interview met schrijver Isabel Allende: ‘Verliefd zijn op je 75ste is niet anders dan op je 17de’

„Weet je echt honderd procent zeker dat je niet meer wilt?” appt de hoofdpersoon in Elke Geurts’ Ik nog wel van jou. „Nee, ik weet het niet zeker”, appt haar man terug. Hij is tijdelijk ergens anders gaan wonen, omdat hij zegt niet meer van zijn vrouw te houden. „Je moet het toch echt zeker weten als je na vierentwintig jaar uit elkaar gaat?” vraagt zij weer. „Ja, maar hoe weet je zoiets ooit zeker?” appt hij terug. En even later: „Ik kom zo met verse broodjes.”

De gelukkige gewoontes van een gezin. Na de lunch fietsen ze samen naar het strand, wandelen ze hand in hand over de nepduinen van IJburg, terwijl hun meisjes opgetogen om hen heen dartelen. Even later zal hij zeggen: „Ik weet het toch honderd procent zeker.”

Wat betekent ‘op’uiteindelijk?

Voelen, denken, zeggen dat het voorbij is, het zijn allemaal heel verschillende dingen. Nicole Krauss vergelijkt in Donker woud de periode die voorafgaat aan het vertrek van de hoofdpersoon met verdwalen in een donker bos. „Een uitputtende en onsamenhangende periode” waarin er een gat is tussen spraak en gevoel. Ze is uit koers geslagen, de weg kwijt, omdat ze haar geloof is verloren in de onaantastbaarheid van de liefde, „en de gezondheid van het huiselijk bestaan”.

Ze trekt geen consequenties, maar ze denkt obsessief aan een hotel in Tel Aviv, waar ze als kind haar zomervakanties doorbracht. Ze heeft nog geen woord tegen haar man over weggaan gezegd, als ze tijdens een van haar slapeloze nachten een koffer uit de gangkast sleept, hem volpropt met een heel assortiment aan kleren en hem vast bij de voordeur zet. ’s Ochtens is ze even verrast door de aanblik ervan als haar man en kinderen.

Soms proberen ze er samen iets over te zeggen, schrijft Krauss, die onlangs scheidde van schrijver Jonathan Safran Foer, „maar het zijn woorden die ontdaan zijn van hun kracht en hun doel, als een schip zonder zeil”. De woorden die we uitwisselden brachten ons niet dichter bij elkaar, maar ook niet bij enige vorm van begrip, want de woorden die we wilden gebruiken, mochten we niet gebruiken, – verhinderd door de verstarring die voortkomt uit angst.”

Een lekkende emmer, een verwaarloosde tuin, etterende wonden, schepen zonder zeil, een koffer bij de deur: wat ‘op’ betekent in de liefde, blijkt slechts bij benadering te beantwoorden. Volgens Jan Drost is de gemeenschappelijke factor het einde van het geloof in een gezamenlijke toekomst. „Liefde heeft ook altijd een toekomstperspectief nodig”, zegt hij. „Als een van de twee dat niet meer heeft, is het kansloos. Mensen denken: ‘Die twee zitten in relatietherapie, die hebben dus een slecht huwelijk’. Nee, het betekent: die twee geloven nog in een gezamenlijke toekomst, en daarom werken ze eraan. Als een van de twee dat niet meer ziet zitten, dan ben je op weg naar de uitgang.”

Lees ook het interview met filosoof Jan Drost: ‘Liefdesverdriet voelt hetzelfde als rouw’
    • Annemiek Leclaire