Recensie

Het geluk om niemand te worden

Atte Jongstra

Dwalend schrijft Jongstra dit keer over de mens en diens eeuwige behoefte om de natuur te temmen. Lees over dwaze verzinsels, zelfoverschatting, maar ook fascinerende ontdekkingen.

Soms zou men best Atte Jongstra willen zijn. Die royale belezenheid gepaard aan een onverflauwde belangstelling voor zijpaden, niches, fantasten, pseudo-wetenschap, geleerde fantasieën, enzovoort. Hij lijkt wel in zijn eentje een compleet Genootschap voor Nutteloze Kennis, maar die gedachte moet ook weer verworpen worden, want meer dan eens, bijvoorbeeld in zijn laatste boek De ontgroende mens, leiden zijn omzwervingen langs behartigenswaardige inzichten en overwegingen. Opgesierd, hier en daar zou je kunnen zeggen ‘overwoekerd’, door een dolle groei van zijtakken.

Dwalend en woekerend schrijven is een genre waar Jongstra van houdt, zijn ‘bron(nen)boek voor al mijn werk’ is een boek dat uitsluitend uit voetnoten bestaat, die zouden horen bij een verloren manuscript. Het is een boek van de Zweedse kunsthistoricus Peter Cornell en het heet, in de vertaling van Jongstra, De paden naar het paradijs. Je zou je kunnen afvragen of deze Peter Cornell wel bestaat en niet door Jongstra is uitgevonden, zózeer lijkt deze schrijver hem te passen.

In zijn nieuwe boek kijkt Jongstra naar mens en natuur, en uiteraard ontpopt hij zich niet tot een ecologisch predikant van de soort die zegt dat we minder vlees moeten eten, maar laat hij zien hoe de mensen door de eeuwen heen hebben gemeend de natuur te moeten interpreteren en temmen. En en passant, dit letterlijk te nemen, laat hij ook zien waar dat toe leidde: dwaze verzinsels, zelfoverschatting, maar ook fascinerende ontdekkingen zoals het ‘zwermbewustzijn’ waar wij (en onze computers) veel van kunnen leren.

Het begint allemaal met een eigen ervaring: Jongstra schrijft in het eerste hoofdstuk hoe hij, ergens in Zweden, zat te lezen op een open plek in het bos en door zijn stille zitten als het ware onzichtbaar werd voor twee vogels. Hij voelde zich ‘ongelofelijk gelukkig. Opgegaan, verdwenen in het landschap, een Niemand geworden.’

Deze Niemand is wel min of meer de hoofdpersoon van dit boek, dat ook Niemandsland behandelt en de geschiedenis van de pre-adamitische familie Niemand. Onder meer. Want ook al in het eerste hoofdstuk staat dat de wereld één groot ecosysteem is, waarin alles in alles is, in chaos of chaotische ordening. Zo is het ook een kleine stap naar gekken die niet gek zijn, naar onderzoekers van alles wat kruipt, sist, stinkt en wriemelt, naar de godin van de riolering en nog zo het een en ander. Alles heeft met alles te maken en dus is er geen aanleiding om een zogenaamde hoofdzaak of kern der dingen aan te wijzen.

Intussen probeert de mens wel de baas te spelen op aarde, zich het Niemandsland toe te eigenen, en op allerlei mogelijke en onmogelijke manieren zichzelf te vergroten. Ook het heropgeleefde nationalisme beschouwt Jongstra als een uitvergroting van de drang om een individu, een persoon te willen zijn, in plaats van zo’n Niemand die onderdeel is van alles. Het leidt tot niets goeds, nu niet, en in het verleden ook niet – daarvan laat hij uiterst amusante staaltjes zien. Ook bij zichzelf trouwens: een week lang op een onbewoond eilandje zonder Facebookvrienden die hem toejuichten ‘je bestaat’ viel hem zeer zwaar. We zijn te sterk ontgroend.

Dwalen en een Niemand worden, een onderdeel van je omgeving, dat is vooral wat de lezer doet met dit boek. Daarbuiten valt het niet mee.

    • Marjoleine de Vos