Recensie

Het bbp schiet tekort, maar de alternatieven ook

Non-fictie De focus op het bruto binnenlands product is een ideologie en zorgt dat we totaal verkeerde doelen nastreven, staat in The Growth Delusion. Maar wat moeten we dan?

David Pilling. The Growth Delusion. Bloomsbury. 352 blz. € 16,95.

●●●●●

Foto Susana Vera/Reuters.

Op 5 april 1772 – Eerste Paasdag – stuitte de Nederlandse ontdekkingsreiziger Jacob Roggeveen op een vreemd eilandje. Het landschap was bar, de bevolking uitgemergeld en verzonken tot kannibalisme. Ooit was dat anders, denken historici en biologen nu. Toen de Polynesiërs er rond het jaar 400 met hun schepen aankwamen, was het eiland rijk bebost en tjokvol dieren. De bevolking dijde uit en had kennelijk genoeg energie om uit rotsen hoofden te hakken en die kilometers over het eiland te slepen.

Wat ging er mis? Volgens Financial Times-journalist David Pilling ongeveer hetzelfde als in onze eenentwintigste-eeuwse werkelijkheid: een neerwaartse spiraal van overbevolking, overbevissing en ontbossing om alle monden te voeden heeft de Paaseilandse beschaving de afgrond in gestort. Daar zouden we lessen uit kunnen trekken – en dat doen we niet.

Een nieuwe boodschap is dat niet. Origineler is de boosdoener die Pilling aanwijst voor dit euvel. In zijn boek The Growth Delusion richt hij zijn pijlen 352 pagina’s lang op het bruto binnenlands product, het bbp. De obsessie met dat ene getal zorgt er volgens hem voor dat we onszelf en de planeet net zo behandelen als de Paaseilanders eens deden.

Het bbp is de geldwaarde van alle geproduceerde goederen en diensten in een land in een bepaald jaar – een nogal karig recept voor een maat waar politici wereldwijd hun verkiezingsprogramma’s en beleid op baseren, vindt Pilling. Want waarom is huishoudelijk werk en het grootbrengen van kinderen er niet in opgenomen, maar handel in ingewikkelde financiële producten wel, vraagt Pilling zich af. Waarom zegt het bbp niks over gekapte bossen, leeggeviste zeeën en CO2-uitstoot, maar wel over de winsten die ziekenhuizen maken op dichtgeslibde aderen en doorrookte longen?

Verborgen ideologie

Het bbp heeft een verborgen ideologie, wil Pilling maar zeggen. Meanderend door anekdotes van bezoeken aan post-crisis IJsland (waar het nogal misging met de bancaire sector), Japan (waar vrouwen laaggeschoolde banen in werden gejaagd om het bbp op te stuwen), Oxford en Cambridge (waar hij allerhande hooggeschoolde bbp-criticasters sprak), wil hij laten zien dat het bbp een arbitrair construct is dat in de regel meer kwaad doet dan goed.

Bbp is namelijk een synoniem geworden voor ‘de economie’. En die moet groeien. „It’s the economy, stupid”, zijn de beroemde woorden van Bill Clinton waarmee hij schermde in de verkiezingsstrijd met Bush senior (Clinton won). Maar wie zich blind staart op het bbp, stuwt precies de verkeerde dingen omhoog, stelt Pilling. Het meet namelijk slechts die zaken die gemakkelijk te meten zijn: „dingen die je kunt laten vallen op je voet”. Over kwaliteit van leven, geluk, menselijke waarden en natuur zwijgt het in alle talen. „Het bbp heeft verschrikkelijk slechte tafelmanieren”, schrijft Pilling. „Het spiegelt ons een bloedeloze, mechanische visie op de wereld voor.”

Dat dat nooit de bedoeling was van de bedenker van het bbp, tekent Pilling treffend op in een hoofdstuk genaamd ‘Kuznets monster’. Simon Kuznets (1901-1985), een Russisch wiskundewonder dat op z’n eenentwintigste naar Amerika vluchtte, kreeg in 1933 de opdracht om ‘een nationale rekening’ op te stellen. De toen net aangetreden president Franklin D. Roosevelt wilde weten hoeveel schade de crisis van 1929 had aangericht. Kuznets reisde met zijn team kriskras door de VS om op te tekenen wat fabrieken, boerderijen en mijnen produceerden. Met veel mitsen en maren presenteerde hij in januari 1934 zijn National Income 1929-32. Een mokerslag: de Amerikaanse economie was volgens zijn cijfers bijna gehalveerd.

Het bbp spiegelt ons een bloedeloze, mechanische visie op de wereld voor, schrijft Pilling.

Prostitutie en gokken

Met dat oer-bbp had Kuznets een aantal zaken buiten beschouwing gelaten. Illegale activiteiten als prostitutie, gokken en het handelen in gestolen goederen bijvoorbeeld. Ook defensie-uitgaven verschenen als een min op zijn rekening: alleen dingen die in zijn ogen ‘goed’ voor mensen waren kregen een plek in zijn national income account. En bovendien was het nooit Kuznets bedoeling geweest dat bbp-toename gelijk zou worden gesteld aan menselijk welzijn of geluk. Dat het bbp verworden is tot drooggekookt amalgaam waarop landen gerund worden, moet voor Kuznets hebben aangevoeld alsof zijn Frankenstein-creatie een eigen leven is gaan leiden, schrijft Pilling.

Gemiste kans

Maar ja, nu we eenmaal zover zijn dat het bbp „the overlord of measures” is geworden, is de grote vraag wat het alternatief is. Pillings bedoeling is in ieder geval niet om uit te zoeken waardóór het komt dat ‘de economie’ zoals die met het bbp gemeten wordt, zo’n toverconcept is geworden dat ons welzijn en de planeet ervoor moeten wijken. En dat is een gemiste kans. In plaats daarvan maakt hij een rondje langs andere barometers die de ‘zaken die er echt toe doen’ moeten weergeven. Want cijfers zijn nou eenmaal belangrijk in het publieke debat – dat snapt journalist Pilling ook wel. „If you can’t measure it, you can’t manage it.”

Zo bezoekt hij een Cambridge-professor die meent te weten hoe je geluk kunt meten, en beschrijft hij uitvoerig een onderzoek dat geprobeerd heeft al het ‘natuurkapitaal’ dat de aarde rijk is in geld uit te drukken (33.000 miljard dollar was het resultaat). Hij schrijft over het Aziatische landje Bhutan, waar het ‘bruto nationaal geluk’ wordt bijgehouden. En over de Amerikaanse staat Maryland waar ze met de Genuine Progress Index rekening houden met ongelijkheid en milieu.

Niets is echt overtuigend, en je zou het symptoombestrijding kunnen noemen – maar het levert wel vermakelijke anekdotes op.