Glashard, nooit genuanceerd

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden.

Dichter en vertaler Lela Zeckovic (1936-2018) sprong nonchalant om met haar talent.

Lela Zeckovic met grote liefde Hans Faverey, Sestine, 1969 Pieter van der Meer

In een film hadden ze deze scène

ingekort met een kogel door zijn

nobel voorhoofd of door de binnenkomst

van een beambte.

Zo eindigt het gedicht ‘Brief’ van Lela Zeckovic, een Nederlands-Kroatische dichteres en vertaalster. De strofe tekent haar poëzie – beeldend, helder en ongekunsteld – maar misschien ook wel haar eigenzinnige en compromisloze karakter. Zeckovic overleed 9 februari op 82-jarige leeftijd in Triëst aan de gevolgen van kanker.

Gérard van den Eerenbeemt

Ze was in 1936 geboren in Varazdin (Kroatië) en groeide op in Zagreb. „Lela en haar zus kregen een liberale opvoeding”, vertelt Guido Snel, oud-student en een tijdlang collega-vertaler van Zeckovic. „Ze benadrukte graag dat in die omgeving ook vrouwen zich literair en intellectueel konden ontwikkelen, en dat er een hoge mate van seksuele vrijheid heerste.”

Als zeventienjarige ontmoette ze tijdens een vakantie op het eiland Krk de Amsterdamse psychologiestudent Hans Faverey (1933-1990), die zou uitgroeien tot een van de belangrijkste na-oorlogse dichters in Nederland. „Ze moeten heel verliefd zijn geweest”, denkt Martin Reints, die haar en Faverey in de jaren tachtig leerde kennen, toen Zeckovic een aantal gedichten van Reints vertaalde in het Servo-Kroatisch. „Zes jaar lang hebben ze gecorrespondeerd, daarna, in 1959, kwam ze naar Nederland.”

Ze benadrukte graag dat in die omgeving ook vrouwen zich literair en intellectueel konden ontwikkelen.

Zeckovic, die in Zagreb al Engels en filosofie had gestudeerd, meldde zich in Amsterdam bij het instituut voor Slavische Talen en Letterkunde, waar ze later wetenschappelijk medewerker werd. Begin jaren zeventig vertrok ze er na een hooglopend conflict, om haar universitaire loopbaan voort te zetten bij het instituut voor Literatuurwetenschap. Daar leerde Guido Snel haar kennen. „Ze was ongewoon. Zo negeerde ze het al lang bestaande rookverbod op de universiteit; dan zette ze wel een raampje open.”

Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde en samensteller van Hans Favereys verzamelde gedichten, noemt haar „charmant en eigenzinnig”. „Als ze iets in haar kop had, kreeg je dat er niet zomaar uit. Ze had hoge normen, in alles. Ook in esthetiek, daarin was ze echt een Zuid-Europese. Ze ging altijd prachtig gekleed de deur uit. Eten koken deed ze met een geweldige smaak en verfijning, tot in hoe ze het opdiende. Van een gewone aardbei wist ze de mooiste aardbei ter wereld te maken.”

Het academische gebeuren boeide haar niet erg, vertelt Snel. „Studenten vond ze alleen interessant als ze goed konden schrijven, en als ze iets leken te begrijpen van de Centraal-Europese literatuur. Die stond volgens haar op eenzame hoogte. Voor Russische literatuur koesterde ze minachting.”

Snel was de laatste van de drie slavisten, na Roel Schuyt en Reina Dokter, die door Zeckovic persoonlijk geschoold werden in het vertalen van Servo-Kroatische literatuur. „Het was niet makkelijk om bij haar in de leer te zijn, maar haar lessen waren van een ongeëvenaarde intensiteit en kwaliteit.”

Zeckovic heeft nooit definitief gekozen voor een leven als literair vertaler. Volgens Snel omdat het voor haar uiteindelijk toch een te slaafs beroep was. „Ze kende te veel steengoede maar eenzame en gefrustreerde vertalers.”

Het was niet makkelijk om bij haar in de leer te zijn, maar haar lessen waren van een ongeëvenaarde intensiteit en kwaliteit.

Ook als dichteres is Zeckovic onbekend gebleven, ondanks haar bekroonde debuutbundel Belvédère (1981). Daarna publiceerde ze alleen nog enkele losse gedichten. Martin Reints beschouwt de vijftig tot zestig gedichten van haar hand als een volwaardig oeuvre. „Of het nu komt doordat het Nederlands niet haar moedertaal is, maar ze drukt zich uit in krachtige uitspraken en filmische beelden. Ze is helder en glashard, nooit genuanceerd. Met een enorme taalbeheersing weet ze woord voor woord een overrompelend beeld op te roepen.”

Privécollectie familie

Marita Mathijsen vermoedt dat Zeckovic wat nonchalant met haar talent omging. „Ze voelde zich gewaardeerd als dichter, onder meer door die prijs voor haar bundel, en zag geen noodzaak om aan de weg te timmeren.”

De nalatenschap van haar man heeft ze beheerd met grote toewijding en onverzettelijkheid. Mathijsen: „Voor de vormgeving van de Verzamelde gedichten had De Bezige Bij een goedkoop uitziende dummy gemaakt, en toen ze die zag, ontplofte ze zowat. Toen heb ik er een echte typograaf bijgehaald en is het allemaal goed gekomen.”

Ook tussen Zeckovic en Mathijsen botste het weleens. „Als wetenschapper vond ik alle voltooide gedichten in principe interessant om uit te geven, terwijl Lela alleen de gedichten die Hans zelf publicabel achtte gebundeld wilde zien. We hadden allebei een andere rol hierin, maar het voornaamste is dat ze een enorm gevoel had voor de poëtische nalatenschap van Hans. Ze kende zijn poëzie erg goed, omdat ze er veel over spraken samen. Dat is tenminste wat ze vertelde, en ik denk dat dat ook zo was. Ze waren geestelijke sparring partners.”

Suggesties voor deze rubriek zijn welkom op necrologie@nrc.nl.