Frank Ruiter

‘Een manie is zo lekker. Je kan álles’

Esther Gerritsen | Schrijver

In haar nieuwe roman, De trooster schrijft Esther Gerritsen over de wil om goed te zijn en de aantrekkingskracht van mensen die slechte dingen doen. „Het is rustiger om te denken dat je vol kleinzielige gevoelens zit.”

Je hoofdpersoon is de diepgelovige koster van een kloosterorde…

Ze lacht. „Ja.”

…die geen moment twijfelt aan zijn liefde voor Jezus…

„Ja, ja.”

….en de lezer daar ook geen moment aan laat twijfelen. Hoe kom je erop?

„Ik wilde iets met religie doen…” Ze lacht wat harder en zegt het nog een keer, nu spottend. „Ik wilde iets met religie doen, haha.”

We zitten in een café tegenover haar huis in Amsterdam, bij Artis, en praten over De trooster, haar nieuwe roman, die heel anders is dan de romans waarmee ze bekend werd – Superduif (2010), Dorst (2012), Roxy (2014) – al is het maar omdat die vrouwen of meisjes in de hoofdrol hebben en zeker niet over religie gaan.

Geloof jij ook?

„Niet zoals de hoofdpersoon, nee, nee, dat zal ik niet zeggen. Maar het komt wel in de buurt.”

Katholiek?

„Ik kom uit een katholiek gezin, ja. In het dorp waar ik vandaan kom” – Gendt, bij Nijmegen – „was iedereen katholiek. Als kind was Jezus mijn grote voorbeeld, ik wilde net zo’n goed mens zijn als hij. Vandaag ga ik niet huilen, vandaag ga ik geen ruziemaken. Dat mislukte natuurlijk altijd. Later dacht ik: wat een ziek voorbeeld eigenlijk. Iemand die iedereen vergeeft en alle zonden van de wereld op zich neemt.”

Als kind was Jezus mijn grote voorbeeld.

Dus toen?

„Zoals dat gaat, hè. Ik wilde er heel lang niets mee te maken hebben. Ik kwam in verzet. Toen mijn broer overleed” – veertien jaar geleden, aan darmkanker – „kwam de pastoor met teksten die we in de kerk zouden kunnen voorlezen, allemaal over troost. Hij is niet echt weg, hij is in ons hart, hij is aan de overkant. Dat maakte me boos, rebels. Bij de begrafenis moest ik ook iets zeggen en ik dacht: nou zullen jullie het horen ook. Hij is wél weg, hij is helemaal nérgens en dát is juist zo erg. Na twee zinnen barstte ik in tranen uit. De pastoor kwam naast me staan en legde zijn hand op mijn rug. Dat was, ja, heel troostend.”

En zo ontstond koster Jacob die in je boek zijn ongelovige en misdadige tegenspeler troost?

„Nee, nog niet, maar er veranderde wel iets in mij, al weet ik niet meer precies hoe en wanneer. Ik ging anders denken over goed zijn, over een goed mens zijn. Al die pogingen van mij als kind om net zo goed als Jezus te worden, daar heb ik meer last van gehad dan van de erkenning, later, dat je níet goed bent. Het is rustiger om te denken dat je in principe slecht bent en vol kleinzielige gevoelens zit.”

Ik ging anders denken over goed zijn, over een goed mens zijn.

Je hebt Jacob een mismaakt gezicht gegeven, waarom?

„Er is zoveel in het leven waar je niets over te zeggen hebt en dat jou wel bepaalt. Wie je ouders zijn, waar je opgroeit, of je mooi bent om te zien of niet, duizenden dingen. Jacobs gezicht is voor de helft mismaakt omdat er iets is misgegaan bij zijn geboorte en daardoor is er een afstand tussen hem en de mensen om hem heen. Jacob heeft dat geaccepteerd, hij moet wel. Het maakt hem een soort van willoos. Hij geeft zich over aan wat er op zijn pad komt.”

En dat is dan een in opspraak geraakte staatssecretaris die ontslag heeft genomen en in het klooster in retraite gaat. Hoe kom je daarop?

„Ik wilde het ook over vergeving hebben, over vriendschap en over de aantrekkingskracht van mensen die slechte dingen doen. Wat gebeurt er als iemand die het in principe goed met de wereld voorheeft in de greep raakt van een misdadiger? Jacob is bereid Henry Loman” – zo heet de staatssecretaris – „alles te vergeven, om maar bij hem in de buurt te zijn.”

Je bent vaag over wat Henry Loman gedaan heeft.

„Iets met fraude, het doet er niet zo toe. Wat ertoe doet is dat hij in het klooster een vrouw verkracht. En hij heeft eerder vrouwen verkracht. Beetje een rare sprong misschien, maar ik ben altijd erg geïntrigeerd geweest door de vriendschap tussen Albert Speer en Adolf Hitler. De biografie van Speer heb ik wel vier keer gelezen. Speer is geen wrede man, maar door zijn ijdelheid en zijn liefde voor Hitler gebeuren er onder zijn verantwoordelijkheid de vreselijkste dingen. Na de oorlog proberen zielzorgers in de gevangenis een beroep op zijn geweten te doen – tevergeefs.”

Ik ben altijd erg geïntrigeerd geweest door de vriendschap tussen Albert Speer en Adolf Hitler.

Zoals Jacob dat ook probeert bij Henry Loman.

„Maar Henry heeft wel een geweten en zodra hij het begint te voelen wordt hij doodsbang.”

Toch komt hij weg met wat hij gedaan heeft.

Ze lacht. „Ja, dat vind ik zelf heel leuk.”

Leuk?

„Door de verwarring die dat oproept. Zo gaat dat toch heel vaak? Er is toch geen rechtvaardigheid? En dat hij ermee wegkomt, maakt zijn misdaad niet ongedaan.”

Eerder heb je wel gezegd dat het moeilijk is om over troost en hoop en liefde en vergeving te schrijven. Waarom?

„Er wordt wel gezegd dat mensen die depressief zijn de dingen realistischer zien dan mensen die dat niet zijn. Maar als iedereen depressief zou zijn, zou de wereld stoppen. In het gewone leven heb je dus vertrouwen en optimisme en ja, ook hoop en troost nodig om door te kunnen gaan, om elke ochtend gewoon weer uit je bed te komen. Literatuur gaat heel vaak over de ontmaskering daarvan. Weer even een rare sprong, maar ik las laatst ergens dat de helft van de Nederlanders gelovig is. Ik wist dat niet. Ik ken ze ook niet. Ken jij ze?”

Frank Ruiter

Jou, nu. Jij bent gelovig.

„Het is meer iets dat ik doe, geloven, dan dat ik gelovig bén. Ik doe het stiekem, ondanks alles.”

Wat doe je dan?

„Me de aanwezigheid van een god voorstellen, als ik hem nodig heb. Af en toe naar de kerk gaan. Ik ga zo eens in de maand naar de Nicolaaskerk tegenover het Centraal Station. Maar ik moet wel zeggen dat het wat minder is geworden sinds ik weer een vriend heb. Het is ook zo wat om op zondagochtend op je fiets te stappen en daar in je eentje heen te gaan.”

Hij wil niet mee?

„Ik zal het hem eens vragen. Maar ik vermoed dat hij nee zegt. Mijn dochter wil zeker niet mee. Zij vindt kerken eng.”

Als iedereen depressief zou zijn, zou de wereld stoppen.

Wat brengt je geloof je?

„Relativering. Je eigen leven kan zo’n gedoetje zijn – en maar overzicht proberen te houden en betekenis zoeken en bezig zijn met wat jij van mij vindt en ik van jou – dat het fijn is om het allemaal naast je neer te kunnen leggen en te denken: ik snap het niet, maar ik hóéf het ook niet te snappen. Ik héb geen overzicht en mijn oordelen zijn benepen, want wat weet ik nou? Níemand weet het. Het idee dat er iemand is, een instantie, een god, die het wél weet, ja, daar word ik eh…”

Gelukkig van?

„Het lucht me op.”

Heeft je god substantie?

„Nee.”

Het is dus een abstractie.

„Ja.”

In je boek zijn de mensen die in het klooster in retraite gaan allemaal op zoek naar zichzelf.

„Ze willen een beter mens worden en daarmee maken ze zichzelf heel belangrijk. Als je bang bent om een slecht mens te zijn maak je jezelf ook heel belangrijk. En als je dan bedenkt hoe kort het leven is – o, fuck, wat is het leven kort – en hoe weinig het er allemaal toe doet. Je bent zo vreselijk ónbelangrijk. Je doet er helemaal níets toe.”

Je wilt wel gehoord worden, anders zou je niet schrijven.

„Ja, maar het leven is wel heel boeiend en het is heel leuk om van alles te doen en mee te maken en ervan te genieten dat je er bent. Het lukt me ook steeds beter om minder over mezelf na te denken en meer over wat ik aan het schrijven ben. Scène twaalf, wat gebeurt er?”

Wanneer is die omslag gekomen? In het verleden heb je periodes van overspannenheid doorgemaakt, een toestand waarin mensen nogal op zichzelf betrokken raken.

„Godzijdank is dat veranderd. De dingen worden beter naarmate je ouder wordt. Daarbij slik ik ook gewoon medicijnen waar ik niet meer vanaf mag.”

Medicijnen die je minder egocentrisch maken?

„Haha, nee. Ik heb, mild uitgedrukt, last van wisselende stemmingen en door die medicijnen ga ik wat minder omhoog en omlaag. Als de uitschieters te erg zijn, word ik bang en neurotisch en ga ik mijn wereld kleiner maken. Als ik weet dat er een plafond is, voel ik me vrijer. Een paar jaar geleden was ik de weg zo erg kwijt dat ik niet meer kon eten en slapen en…”

Was dat na je scheiding?

„Nee, later, in 2016, toen ik het boekenweekgeschenk moest schrijven. Ik viel zo diep dat ik dacht: als ik dit overleef en ik kom er weer bovenop, dan ga ik het allemaal niet meer zo serieus nemen, hoor. En nu moet ik om zoveel dingen zo hard lachen. Ik was ook in therapie en dan wordt er altijd gezocht naar waar alles vandaan komt, je jeugd en zo, en toen zei mijn therapeut: ik kan niks vinden, hoor, er is niks gebeurd. Het evenwicht zit er gewoon niet in, dit is jouw staat van zijn. Dat heeft me ook enorm geholpen. Dat is echt een bevrijding.”

Je was niet bang dat de pillen je schrijverschap zouden aantasten?

„Die extreme stemmingen leveren me helemaal niks op. Ik kan nu veel beter werken. Ik vind dingen leuk die ik vroeger helemaal niet leuk vond. Research doen, boeken lezen. Voor De trooster ben ik naar een klooster gegaan, ik heb met broeders gepraat, ik heb de Bijbel herlezen, met name het Nieuwe Testament. Ik heb de lijdensweg van Jezus Christus onderzocht aan de hand van de veertien kruiswegstatiën – Jezus valt voor de tweede maal, Jezus valt voor de derde maal – en ik vond het allemaal zo… boeiend. Dat is wat ik nu denk: het leven is maar kort en ik moet me zo goed mogelijk zien te vermaken. Nou ja, dat klinkt wat frivool, maar je begrijpt wat ik bedoel.”

Dat is wat ik nu denk: het leven is maar kort en ik moet me zo goed mogelijk zien te vermaken.

En nu is je boek af en deze week gaat je film in première.

„Ja, en ik ben nog met een andere film bezig, met Halina Reijn, haar regiedebuut. Gaat over een tbs-kliniek. Ik heb het scenario geschreven en we gaan binnenkort draaien. Ik schrijf mee aan een televisieserie en ik doe twee columns per week en eh… O ja, ik ben nog een andere film aan het schrijven, met Saskia Diesing. Ik dacht al, aansteller, het valt best mee met de drukte. Die film gaat over het verloren transport, de laatste trein van de drie waarmee de nazi’s in april 1945 gevangenen uit Bergen-Belsen probeerden te evacueren toen de geallieerden eraan kwamen. Er zaten relatief veel Nederlanders in, onder anderen Ischa Meijer en zijn vader, en Jona Oberski, de kernfysicus, en Hannah Goslar, een schoolvriendin van Anne Frank.”

Je bent niet bang dat je in een manie schiet als je zoveel tegelijk doet?

„O ja. Ja, zeker. Mijn vriend, we zijn sinds de zomer samen, zit op het moment in Kaapstad en hij zei al aan de telefoon: nu even pauze. Maar mijn dochter was bij haar vader en ik dacht: o, nou kan ik lekker doorwerken. Zeker een scenario schrijven is heel verslavend. Die hersens gaan maar door en door en door, en dan slaap je ook niet goed. Je gaat heftig dromen. Vannacht droomde ik dat ik een netje mandarijnen kapot trok en ik roep nog nee, en ik trek zo mijn pyjama kapot. Ik word vaak wakker van de gebaren die ik in mijn slaap maak. Maar dan ga ik dus niet aan mezelf liggen denken. Nee, ik ben aan mijn scenario gaan denken.”

Waar je niet per se rustiger van wordt.

„Nee. Maar het is zo lekker. Een manie is zo lekker. Je kan alles. De afgelopen dagen dacht ik: weet je wat, ik schrijf die film gewoon even af. Dat kan helemaal niet. Maar het voelt wel alsof je het kan.”

Wat heb je gedaan?

„Doorgerausjt. Niet naar buiten geweest, geen boodschappen gedaan, na drie dagen was de koelkast leeg. Als je de energie hebt, is het jammer om er geen gebruik van te maken.”

Hm, hm.

„Maandag is mijn dochter er weer en dan is de regelmaat ook terug. Het leven grijpt je vanzelf weer vast. Negen uur: schoolplein.”