Opinie

    • Caroline de Gruyter

Een handelsoorlog kent geen winnaars

Oog om oog, enzovoort. President Trump dreigt Europa met hoge importtarieven op staal en aluminium. Europa bluft terug: hogere importtarieven op Harley Davidsons, Levi’s, bourbon.

Dit spel is een keer eerder gespeeld, in de jaren dertig. Met desastreuze gevolgen voor iedereen. Ook toen gaf Amerika de eerste zet, met een Republikeinse presidentskandidaat die ontevreden kiezers protectie beloofde in ruil voor stemmen. Nu begint het met staal, toen met landbouwproducten.

Toen Herbert Hoover in 1928 op campagne was, hadden Amerikaanse boeren het moeilijk. Na de Eerste Wereldoorlog hadden zij hun productie enorm opgevoerd omdat Europa in puin lag en zichzelf niet kon voeden. Amerikaanse boeren begonnen als dollen naar Europa te exporteren. Velen sloten leningen af en investeerden zwaar in machinerie. Maar midden jaren twintig kwam Europa weer boven Jan. Er kwamen meer landbouwproducten op de markt. Prijzen daalden. Veel Amerikaanse boeren konden hun schulden niet afbetalen. Op dat moment kwam de Hoover-karavaan langs. Om stemmen te winnen, beloofde Hoover importtarieven op een paar Europese landbouwproducten te verhogen.

Als president probeerde Hoover die nieuwe importtarieven meteen in een wet te gieten. Maar het wetsontwerp moest door de senaat en het parlement. Daar begonnen de problemen: andere sectoren eisten óók protectie, anders dreigden ze de wet te blokkeren. Reed Smoot en Willis Hawley – de een senator, de ander Congreslid – stelden de Tariff Act van 1930 op, die importtarieven op ruim 20.000 buitenlandse producten met minstens 50 procent verhoogde.

Voordat de wet werd afgekondigd, stuurden 1.028 economen Hoover een brandbrief. Ze waarschuwden dat kosten voor levensonderhoud zouden stijgen, dat import én export zouden instorten en dat Amerikaanse investeerders zouden worden gedupeerd omdat buitenlandse debiteuren hen niet konden afbetalen. Toch tekende de president de wet. De importtarieven hadden politieke dynamiek gekregen. Hij zag geen weg terug.

Onze naoorlogse welvaart, die na 1945 begon met solide handelsafspraken, staat op het spel.

Andere landen sloegen terug. Economieën stagneerden wereldwijd. In Europa concurreerden landen elkaar binnen de kortste keren kapot. Dit veroorzaakte economische kaalslag en sociale ellende, de voedingsbodem voor volksmenners als Hitler en Mussolini. Tussen 1929 en 1934 slonk de wereldhandel met 66 procent. Andere factoren speelden zeker mee, zoals de beurskrach. Maar dé aanjager was de door Washington veroorzaakte mondiale, protectionistische kettingreactie. Amerika werd hard geraakt. Vooral armlastigen, die goedkope importkleren en -voedsel kochten, werden de dupe. In 1932 was de werkloosheid 25 procent en waren er 5.000 banken omgevallen. Er ontstonden sloppenwijken, ‘Hoovervilles’ genoemd. Tussen 1929 en 1933 kromp de Amerikaanse export van 5,2 tot 1,7 miljard. Die krimp trof vooral de landbouw, die juist ‘beschermd’ zou worden met de Tariff Act.

Landen zijn nu afhankelijker van elkaar dan toen. Onze naoorlogse welvaart, die na 1945 begon met solide handelsafspraken, staat op het spel.

Nu het goede nieuws: Europa gaat economisch goed en we concurreren elkaar onderling niet kapot. De EU, Amerika en China zijn de machtigste handelsblokken van de wereld. Als Europese landen de EU als buffer blijven gebruiken, kunnen ze de schade beperken. Als ze bestaande EU-handelsakkoorden met derde landen (Canada, Japan) handhaven en zich aan de WTO-regels houden – wat de makkes van dit wereldhandelssysteem ook zijn – kunnen ze wereldwijd een zone afbakenen waar nog wél afspraken en regels heersen. Dat is de les van Smoot & Hawley: een handelsoorlog kent geen winnaars. Je kunt hooguit proberen je verlies te beperken.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.
    • Caroline de Gruyter