Recensie

Een engel in onvermoede gedaante

Esther Gerritsen

Een gevallen politicus, te gast in een klooster, leidt tot opwinding en een diepzinnige roman.

Illustratie Paul van der Steen

Bij een roman van Esther Gerritsen weet je: als er ontmoetingen plaatsvinden, gaat het knetteren. Door de dialogen, die bij Gerritsen altijd waarachtig en vloeiend aanvoelen. De gesprekken brengen je zó dicht bij de personages dat je zo’n beetje hun ademtocht kunt voelen, hun neusharen kunt tellen.

Dus het verrast, dat Esther Gerritsen (1972) ons aan het begin van haar nieuwe roman De trooster meeneemt het klooster in, waar vol overgave gezwegen en vermeden wordt. Mee, bovendien, in het hoofd van iemand die daar vooral zit om zich aan de vermaledijde wereld der mensen te onttrekken. Met een aangezichtsverlamming viel hij altijd al uit de toon: ‘De mensen glimlachen naar me als iemand die troost nodig heeft.’ En de romantische liefde bleek niets voor hem – tot deernis van zijn familieleden, die hem zagen als eenzaam en ongelukkig. ‘Ik was niet ongelukkig, maar het was onmogelijk het geluk met anderen te delen’, laat Gerritsen hem dan verklaren, eigenzinnig zonder dat je hem nou echt sneu kunt gaan vinden: ‘Je zegt ook niet: “Ach, zonder vrouw in huis is het zo veel gemakkelijker om tijd en ruimte te vinden om te masturberen.”’ De liefde van God beviel hem des te meer: die ziet geen buitenkant. En in het klooster vond hij een soort familie, ‘een eetzaal waarin ik op zou gaan tussen de anderen’.

Harvey Weinstein

Dat gaat dus óók heel goed, dat vrijwel dialoogloze begin: misantroop Jacob beschrijft zichzelf treffend en hij tekent tegelijk de stevige kaders van zijn persoonlijkheid. Ondertussen weten we ook al dat het van die knetterende ontmoetingen nog wel zal komen, want er is een nieuwe gast in het klooster. Conciërge Jacob opende zelf de deur voor hem: Henry Loman, gevallen staatssecretaris, type VVD’er met een vleugje Harvey Weinstein. Een ‘verrijzenis’ die voor opwinding zorgt, ‘ineens waren de mannen jongens geworden’.

Het lijkt wel duidelijk: De trooster gaat over de verleiding van de mensenwereld, die toch nog door de kieren van Jacobs gesloten universumpje binnenglipt – in de vorm van Henry Loman. Die heeft geen boodschap aan de ‘vrijzinnige’ broeder die hem is toebedeeld voor de geestelijke bijstand tijdens zijn retraite: ‘Ik heb iemand nodig die me tegenspreekt. Iemand die mij niet per se mag.’ Hij is ‘uit het wereldse ei gebarsten’ en wil praten over zonde en schuld, over goed en kwaad. En daarvoor heeft hij Jacob uitverkoren – voor hem is Henry op zijn beurt ‘een engel in onvermoede gedaante’.

Het mooist toont Gerritsen dat misschien wel in een ondubbelzinnige, pure scène waarin misantroop Jacob zijn reserves laat varen, wanneer hij op een nacht door Henry naar buiten gelokt wordt en zich voor het eerst sinds jaren weer de pracht van de sterrenhemel gewaarwordt. Een openbaring: ‘Ook gisteren had ik God aanbeden, en hem liefgehad, nu zag ik hem pas goed. Nu hij in deze nacht voor mij stond in al zijn luister, voelde ik dat ik hem terugvond.’

Henry een kwade invloed, een duivel, als die gehoornde figuur van Hiëronymus Bosch’ Tuin der lusten die het omslag siert? Allerminst. Zo eenvoudig en zwart-wit krijg je het in De trooster niet: Jacob dwaalt dankzij Henry niet af van het geloof, zijn komst verdiept het juist. Denkt hij.

Schuld en boete

De dubbelzinnigheid blijft aanwezig, want lang laat Gerritsen mooi in het ongewisse waar het in De trooster nou om te doen is: een strijd tussen het hogere en het wereldse, of de bijzondere band die ontstaat tussen Jacob en Henry? Jacobs toewijding op Goede Vrijdag aan de kruiswegmeditatie, gevolgd door een heimelijk bezoek aan een (heidens) paasvuur, wijzen op dat eerste. De nasleep van een incident in de paasnacht duidt juist op het tweede. Of óók het eerste? Een roman die De trooster heet, gaat natuurlijk over allebei.

Dat incident, dat hier maar niet verder gespecificeerd moest worden, dreigt de roman even een zwart gat in te trekken, zo’n gewicht heeft het. Maar een openlijk drama ontbrandt er juist niet, en dat is een crux in Gerritsens behandeling van de grote onderwerpen die onder de oppervlakte van de roman liggen. Zonde. Schuld en boete. En troost – er zijn zeker vier personages die je als ‘de trooster’ zou kunnen aanmerken.

Dat soort Grote Begrippen zijn min of meer nieuw in Gerritsens oeuvre, dat ze met De trooster naar een nieuw niveau tilt, het is haar diepzinnigste roman. De geestige scherpte van haar dialogen uit Roxy (2014) of Dorst (2012) ontbreekt niet, maar is nu niet een van de voornaamste kwaliteiten. Wél is dat de helderheid waarmee ze nog altijd schrijft, en de aardsheid die dat de personages geeft. Vragen over zonde en troost – die ze naar een menselijk niveau trekt. Zo knettert het óók.

    • Thomas de Veen