Column

Een blik die je beviel

Verreweg de meeste mensen die je ontmoet, maak je maar even mee. Je ziet ze, spreekt ze, maakt ze soms iets langer mee, maar daarna scheiden de wegen zich en verlies je elkaar uit het oog, meestal voorgoed.

Soms, in een onbewaakt moment, denk je aan ze, vooral als je ze indertijd sympathiek hebt gevonden. Dan zie je, in het beste geval, hun gezicht weer vaag voor je, dat wil zeggen het gezicht dat ze twintig, dertig jaar geleden hadden. Nu zou je ze vermoedelijk niet meer herkennen, ook al kwamen ze in de trein recht tegenover je te zitten.

Hier verschijnt de weemoed op de drempel. En de nieuwsgierigheid. Hoe zou het hun toch zijn vergaan, denk je dan, hebben ze bereikt wat ze wilden bereiken, of is hun leven één grote teleurstelling geworden? Of is het er een beetje tussenin, zoals bij de meeste mensen?

Om dat te weten te komen organiseren we reünies. Het kan er reuze gemoedelijk toegaan, maar erg veel kom je niet over elkaar te weten, daarvoor is het te druk en te onpersoonlijk. Net als de beleefdheidsfrasen achter de rug zijn, komt iemand anders met geheven glas tussenbeide: „Jij bent toch…?”

Liever had je een ‘goed gesprek’ gehad met die aardige, wat oudere collega die destijds in het café tot je verbijstering liet blijken dat ze niet zo erg hield van de man met wie ze binnenkort in het huwelijk zou treden. Of met die vriendelijke man die op de journalistieke opleiding nooit erg ambitieus was geweest, maar twintig jaar later plotseling in de Tweede Kamer zitting nam. Of met die schrijver die je uitvoerig over zijn interessante debuut geïnterviewd had en die daarna nooit meer één boek had geschreven.

Wat dreef hen, of wat dreef hen juist niet?

De Rotterdamse dichter Rien Vroegindeweij heeft in het gedicht ‘Een vuur’ uit zijn bundel Later wordt alles echter al in 2009 perfect verwoord wat ik bedoel.

Hij was zo’n kennis uit de stad een bijna-vriend, van wie lang geleden op een feest, een dronken nacht iets was blijven hangen een gebaar, een blik die je beviel. Noem het verwantschap van de ziel als dat woord nog staat voor wat tussen hart en hersens zat.

Woorden verliezen hun betekenis als je het teken niet herkent dat aan vriendschap raakt. We woonden in dezelfde buurt, maar hij bleef zonder achternaam, gewoon een naam, zijn naam van toen, gewoon hallo, en dan weer verdergaan, en dan weer denken waar, wanneer…

Ik zag de laatste tijd niet meer dat hij terugkwam van de winkelstraat de supermarkt, het postkantoor. Eerst was hij er niet, dan in de gedaante van een ander, ik maakte de beweging van een groet, hoe ging het ook alweer nu heb ik hem al heel lang niet gezien. Ik denk dat zijn vuur gedoofd is.