Recensie

Een al te serieuze toneelbewerking van Pfeijjfers ‘La Superba’

Toneelgroep Maastricht brengt de succesroman ‘La Superba’ van Ilja Leonard Pfeijffer op het toneel. De theaterbewerking ontbeert de dubbelzinnigheid en het vertelplezier van het boek.

Wim Opbrouck en Angela Schijf in ‘La Superba’ door Toneelgroep Amsterdam Foto BEN VAN DUIN

La Superba van Toneelgroep Maastricht is zo’n voorstelling die je na afloop achterlaat in verwondering: over de vraag wat de makers hebben willen laten zien. En aangezien het een bewerking van een roman van Ilja Leonard Pfeijffer betreft: wat hebben ze in het boek gelezen dat tot een toneelstuk inspireerde?

In La Superba verklaart een schrijver, Leonard, uit Nederland te zijn vertrokken en zich in Genua te hebben gevestigd op zoek naar input, naar nieuwe verhalen. Maar wat hij ook probeert: zijn schrijven blijft een stijloefening, bladgoud en een van Mulisch geleende plotwending. Daarbij verwart hij de lezer met de suggestie dat zijn verhalen en de mensen die hij ontmoet verzinsels zijn.

Dat hou je in gedachten als Leonard honderduit praat over de duistere kant en verlokkingen van de Italiaanse havenstad, over de Genuese hoeren, de bedelaars en rozenverkopers. Enkele verhalen komen enigszins tot ontwikkeling: de vondst van een geamputeerd vrouwenbeen, de koop van een theater en zijn schuchtere toenadering tot het mooiste meisje van de stad, dat serveerster is in de bar waar hij dagelijks op het terras zit te schrijven.

Tot een plot wil dat niet leiden, want bovenal is Leonard een amorele fantast: zijn metier is valsheid in geschrifte. Dat leidt niet tot teksten die je zo maar kan opdreunen. Pfeijffer is een schrijver met wie je in gevecht moet. Maar in de regie van Servé Hermans is die dubbelzinnige toon, de zelfspot en het venijn bij het hoofdpersonage niet te horen.

Maalstroom van woorden

Het leidt ertoe dat acteur Wim Opbrouck (Leonard) ver onder zijn normale niveau speelt: je gelooft niet dat hij echt denkt wat hij zegt. Geen moment is hij de man die zich verkneukelt om wat hij ons kan wijsmaken. De momenten dat hij uit de toneelwerkelijkheid stapt – als hij zegt niet van monologen te houden, als hij vraagt om een tegenspeler, als hij zegt dat hij een bepaalde plotwending niet zelf zou verzinnen – vallen weg in de maalstroom van zijn woorden.

Zo wordt de absurd triviale klacht van de schrijver over de rechtlijnigheid van Nederland bloedserieus uitgesproken door Opbrouck en uitgeserveerd als gewichtige cultuurkritiek. Al even belegen zijn de scènes over hoe erg de bureaucratie in Italië wel niet is. Alsof dat geen dijk van een cliché is.

Los zand

De regie van Hermans richt zich op opvulling. Een bandje speelt voortdurend mee, acteurs staan hinderlijk op de achtergrond, er komen langdurig papieren uit de nok gedwarreld tijdens de scènes over bureaucratie en stapels plastic stoelen worden uitgestald en snel weer opgeruimd.

Passages die in de roman bijeen worden gehouden door de dwingende stem van de verteller leveren in deze bewerking los zand op. Personages blijven passanten, zonder substantie. Angela Schijf komt niet verder dan steriel tegenspel in haar vlakke rollen als de vrouw bij het been en mooiste meisje.

Tragiek

Pas bij het slot komt er onverwacht wat vlees en bloed in het stuk. In een ongemakkelijke scène neukt Leonard eindelijk zijn mooiste meisje, onder deplorabele omstandigheden. Daar zien we een flits van de tragiek van een verlopen man. Maar het is een tragiek die nergens vandaan komt. De vraag naar het waarom van deze voorstelling wordt er alleen maar mee vergroot.

    • Ron Rijghard