De vogelrijkste en groenste wandeling van Amsterdam

Stadswandeling 5 km

Het thema van de Boekenweek dit jaar is natuur. Voor NRC stippelde stadsecoloog Remco Daalder de groenste wandeling van de stad uit: 5 kilometer natuurgebied in Oost.

Natuurwandeling door Amsterdam-Oost, startend en eindigend bij metrostation Weesperplein, totale lengte 5 kilometer

Zodra we vanaf metrostation Weesperplein linksaf slaan wijst stadsecoloog Remco Daalder (1960) al naar de iepen: „Kijk, hier zitten heel vaak boomkruipertjes in. Als je goed kijkt zie je ze overal in de stad.” En inderdaad, diverse malen tijdens de wandeling door de groene Plantagebuurt wijst hij er een aan. Wie gedachteloos aan zo’n boom voorbijloopt zal ze niet zien, zo klein en snel zijn ze. Maar kijk even iets langer omhoog en het is verbazingwekkend vaak raak.

Dat gegeven – kijk en gij zult zien – zal de basis worden van deze wandeling, in het kader van de Boekenweek (thema: natuur) speciaal voor NRC-lezers uitgestippeld door vogelschrijver (De Gierzwaluw, De Meerkoet) en stadsecoloog Remco Daalder. Enkele jaren geleden schreef hij Natuurlijk Amsterdam, onlangs geheel herzien, met 18 wandelingen langs de natuur die Amsterdam en omstreken rijk is, variërend van 4 tot 13 kilometer. Deze NRC-wandeling, door de mooiste stukjes van Oost, is 5 kilometer.

Remco Daalder strooit met brood bij de UvA aan de Roetersstraat. Foto’s Saskia van Loenen

We lopen langs de Nieuwe Achtergracht. Daalder zegt blij te zijn met de woonboten die hier liggen: „Het zijn de rietgordels van de gracht”, een zelfverzonnen woord zo blijkt, waarmee hij bedoelt dat dankzij de boten de omstandigheden voor vogels hier ideaal zijn. Watertuintjes met mini-treurwilgen naast de boten, overal beschutting, mensen die over het algemeen van groen en dieren houden: waterhoentjes, meerkoeten en knobbelzwanen vertoeven er graag bij in de buurt, als ze er al niet hun nest bouwen. „Zonder woonboten zou Amsterdam veel minder watervogels hebben.”

We komen aan bij de Roetersstraat, gedomineerd door de grote gebouwen van de UvA. En toch is dit een wonderschone plek. Links bij die iepen langs de weg zitten vaak spechten, mezen en boomkruipers, zegt Daalder. In de platanen rechts zit nooit iets: te gladde stammen. „Maar ze zijn natuurlijk wel prachtig.” Hij wijst naar de overkant. „Kijk, de ooievaar zit weer op z’n nest.” Verrek: midden tussen de bebouwing kijkt een ooievaar uit over het universiteitsterrein. „En er is een partner hoor, ik zag ze vorige week paren. Klepperen dat ze deden!” Studenten boffen maar, zegt hij: „Die zitten hier straks in de zon hun boterham op te eten met uitzicht op een nest jonge ooievaars.”

Een reiger, daar op het dak. Meeuwen, kraaien.” Daarna het gazon op, een prachtig weids stukje zo midden in de stad

We lopen eerst naar links, naar een fraai ‘groen driehoekje’, zoals hij het noemt. Daalder buigt zich even liefdevol naar een meerkoet, die al snel uit zijn hand eet. „En kijk eens wat je nog meer ziet. Een reiger, daar op het dak. Meeuwen, kraaien.” Daarna het gazon op, een prachtig weids stukje zo midden in de stad. „Vroeger stond hier een hek omheen. Maar een paar jaar geleden besloot de universiteit dit open te stellen voor iedereen. Steeds meer particuliere grondeigenaren doen dat. En zo krijgt de stad steeds meer openbaar groen. Een fantastische ontwikkeling.”

Hij haalt een zakje uit zijn jaszak en strooit stukjes brood. Binnen een paar seconden worden we omringd door honderden meeuwen, meerkoeten, kauwtjes, kraaien, eksters. Waar komen die ineens vandaan? „De ene vogelgroep signaleert beweging bij een andere vogelgroep en dáár komen ze op af”, legt hij uit. „Daarom zitten die meeuwen vaak zo hoog op gebouwen in de stad: hebben ze perfect overzicht en zien ze het meteen als ergens wat te halen valt.”

Foto iStock. Een iep.

Wandelen met Daalder betekent een stortvloed aan vogels, zowel in het echt als uit zijn mond. „Alle meerkoeten hebben al een partner, zie je? Overal paartjes.” „Die halsbandparkieten hakken zó gaten in de buitenmuren.” „Kraaien in de stad, dat is pas iets van de laatste tien jaar.” „Laatst was ik de hele dag wandelen in de Waterleidingduinen. Geweldig hoor, maar ik had die hele dag acht soorten vogels gezien. Kom ik thuis, zie ik in de tuin 23 soorten. Ik bedoel maar.”

We staan inmiddels op het veldje naast het oude bejaardenhuis Sint Jacob. „Zo’n grasveldje als dit is voor de stad heel belangrijk. Gras in plaats van tegels! Kinderen kunnen hier spelen, ouderen gaan lekker op het bankje zitten, en houtduiven, zanglijsters, merels en nog veel meer vogels zoeken hier voedsel. Voor hen is dit dé plek.” En kijk daar, wijst hij. „Italiaanse populieren, prachtig, door de mensen die volgens de Amsterdamse School ontwierpen hier bewust geplant destijds. Ze creëren Versailles-achtige doorkijkjes, benadrukken de lengte van de straat.” Hij wijst naar een grote hulststruik achter een bankje. „De vaste slaapplek van een sperwer.”

Op de Plantage Middenlaan („een van de mooiste lanen van de stad”) slaan we linksaf, genietend van de platanen. „Zo, en dan nu even een lepelaarkolonie”, grapt hij, en inderdaad: op het vrij toegankelijke Artisplein kijken we, achter gaas weliswaar, naar lepelaars, kemphaantjes, kluten en kieviten. „Hier zie je fantastisch baltsende kemphanen in het voorjaar”, zegt Daalder. „Dat kun je in het veld echt nooit van zo dichtbij zien, die opgeblazen mannetjes.”

Hij wijst naar de bomen achter de vijver, waar de tientallen flamingo’s staan die we er eveneens gratis bij krijgen. „Hier staan de oudste bomen van de stad. In de oorlog is in de stad bijna geen boom gespaard gebleven, maar Artis werd bewaakt door Duitse soldaten dus daar konden de Amsterdammers niet bij.” Aalscholvers, reigers, meerkoeten, alles komt hier naar toe. „Ook is Artis één groot mussen-toevluchtsoord. Zelfs toen het heel slecht ging met de mus vond je hier enorme groepen.”

In de chique Henri Polaklaan, „waar mensen nog een fatsoenlijke voortuin hebben”, passeren we diverse verschillende soorten bomen: kastanjes, esdoorns, hulst. „Mensen hebben hier van alles geplant, geweldig. En overal vogelhuisjes. In deze straat kun je zoveel zien: heggenmussen, winterkoninkjes, zanglijsters.” Eind van de straat rechts staat het statige Vakbondsmuseum, vanaf eind april weer het domein van een van de grootste gierzwaluw- en vleermuiskolonies in de stad. Ernaast, het laatste huis, staat in de tuin „de grootste vijg van Amsterdam”. En ja hoor, in de boom ernaast wéér een boomkruipertje, bijzonder dichtbij dit keer. „Vogels zijn hier veel tammer dan in de vrije natuur, ze zien zoveel mensen en weten inmiddels wel dat die toch niks doen.”

Na een rondje door het Wertheimplantsoen met het altijd weer indrukwekkende Auschwitz-monument van Jan Wolkers wijst Daalder naar de tramrails op de Plantage Middenlaan. „Kijk, hier hebben we een groene trambaan, geen steen maar gras. Dat is niet alleen mooi, maar ook heel goed voor regenopvang.”

De Plantage Parklaan in dan, aan de achterzijde van de Hortus Botanicus, waarna we links de Plantage Muidergracht passeren, met links alwéér een klein plantsoentje. Daalder heeft gelijk: deze route is één groot groen lint. Een stadsduif scharrelt langs. „Dat vind ik toch zulke leuke beesten. Optimaal aangepast aan de stad.” Een fuut glijdt voorbij.

„Kijk, nu ga je iets heel aparts zien.” Op de oever langs het water aan het Hortusplantsoen liggen twee horizontaal geplante bomen, waarvan de kruinen net boven het water hangen. Een kunstproject? Helaas niet, vertelt Daalder. Hier lagen twee oude iepen jarenlang met hun kruin in het water, nadat ze ooit waren omgewaaid. „Een prachtig, sprookjesachtig gezicht; futen bouwden hun nest tussen de takken. Maar op een dag heeft de gemeente die bomen verwijderd.”

De buurt kwam in opstand. Dus heeft de gemeente vorig jaar twee nieuwe iepen laten planten – horizontaal. „Maar ja, je ziet het. Het ziet er bizar en lachwekkend uit. Hopelijk wordt het ooit nog wat. Maar wat er was is helaas voorgoed vernietigd.”

Maar daar, zegt hij terwijl hij zich omdraait, zie je dan weer prachtige kastanjes. „Dit is een van de beste plekken om kastanjes te zien.”

Via het tunneltje en de eveneens recent opengestelde Hoftuin, met mooie platanen en een vijver („in de zomer kun je hier wel vijf soorten libellen zien dansen”) steken we de Hermitage door naar de voortuin van het museum. „Dit is een van de stilste plekjes van Amsterdam.” Hij bezingt het fenomeen van Amsterdamse binnentuinen. „Een zegen voor vogels, mensen en dieren.”

Kijk naar al die prachtige iepen langs de grachten. Met 75.000 exemplaren is Amsterdam de iepenhoofdstad van de wereld

Linksaf, langs de Amstel. „Dit is een van de weinige plekken waar ik minder woonboten zou willen zien”, zegt Daalder. „Op dit punt wil je vrij uitzicht hebben over de pracht van de rivier.” Bij Carré: „’s Zomers is dit een prima plek om gierzwaluwen te zien.” We passeren de Nieuwe Kerkstraat. „Kijk naar al die prachtige iepen langs de grachten. Met 75.000 exemplaren is Amsterdam de iepenhoofdstad van de wereld.” Hij wijst naar de verweerde, vochtige muren van de sluizen, „een uniek reservaatje voor muurplanten. Sommige varentjes zijn zwaar Europees beschermd.”

Vlak bij het eindpunt nog een piepklein plantsoentje. Een merel zingt. „Niet meer dan een eenvoudig buurttuintje, maar ook dit werkt. Als je dit soort kleine stukjes zorgvuldig inricht bereik je zoveel.”

Met die woorden eindigt de wandeling; om de hoek ligt metrostation Weesperplein. Bij het binnenstappen van de metrotrein vol mobieltjes-kijkende forenzen valt bijna niet meer voor te stellen wat voor natuurgebied hier pal boven ligt.

Nog 18 wandelingen: Natuurlijk Amsterdam, Remco Daalder, uitgeverij Bas Lubberhuizen, 160 p., € 17,99.
    • Saskia van Loenen