Recensie

De vlinders zijn verdwenen in Jeruzalem

In den beginne was er een kale vlakte rondom een klein huis in een Israëlisch dorp. Maar toen schrijver Meir Shalev (1948) daar twaalf jaar geleden kwam wonen en op zijn terrein een Tabor-eik, een Palestijnse eik en een Palestijnse pistacheboom ontdekte, legde hij er een wilde tuin aan. Hoe mooi die tuin is geworden, blijkt uit de anekdote die hij op de eerste bladzijden van Mijn wilde tuin vertelt: op een sjabbatochtend betrapt hij een bruidspaar, dat zich te midden van een klaprozenbed in zijn paradijs laat fotograferen. Verschrikt wijst hij de bruiloftsgasten erop dat ze zijn bloemen vernielen. ‘Mijn lijkt het hier gewoon de natuur’, zegt de ene volkse schoonmoeder tegen de andere. Waarop de schrijver dreigt met het aanzetten van zijn – niet-bestaande – sproei-installatie en de ongenode gasten schielijk de benen nemen.

Shalev vertelt hierna de geschiedenis van zijn tuin. Die begint bij zijn grootvader, een rabbijn uit Oekraïne die landbouwer in het Britse mandaatgebied Palestina werd. In zijn nieuwe bestaan vergat hij de Talmoed niet, want de eerste bomen die hij op zijn erf plantte, waren een olijf, een granaatappel en een vijg, vruchtbomen ‘die door de Tora worden gerekend tot de zeven soorten waarmee het land van Israël gezegend is’. Zo wordt tuinieren bij Shalev een metafoor voor de opbouw van de Joodse staat, die gepaard ging met de aanleg van irrigatiewerken en groenvoorzieningen. Op die staat levert hij tussen de regels door kritiek, bijvoorbeeld wanneer Arabische namen vervangen worden door Hebreeuwse en daarmee het Joodse erfgoed wordt weggevaagd dat door die Arabische naam juist werd bewaard.

De flora en fauna in zijn tuin voert Shalev aan voor bespiegelingen over de wezens die in de natuur rondlopen. Zo verleiden cyclamens op een helling hem tot een mooie waarneming over Russische immigranten die paddestoelen plukken – een Russische traditie – en geniet hij van de manier waarop zij het Hebreeuwse woord voor cyclamen, rakafot, met Russische klanken zoeter doen klinken.

En zodra het over de planten verwoestende blindmuis gaat, schuift de geboren pacifist zijn principes terzijde en lees je dat het dan letterlijk gaat ‘om een strijd tussen de zonen van het licht en de zonen van de duisternis.’

Mooie waarnemingen heeft Shalev ook over mieren, die in hun platgetrapte paden geen afslagen aanleggen en de gevangenen zijn van hun dwangmatige persoonlijkheid. En als het over de verdwenen vlinders in Jeruzalem gaat, merkt hij op dat daar nu voornamelijk ‘kraaien, stenen, verwensingen, profetieën en gierzwaluwen’ rondvliegen. In zulke passages is Shalev op zijn best. Desondanks ontstijgt zijn boek zelden het niveau van een vrolijk verslag van hoe je een wilde tuin onderhoudt. Voor de ware Shalev-liefhebber is dat jammer.