‘Als je niets hebt met diversiteit, ben je geen echte Rotterdammer’

Diversiteit

Integratie is het hoofdthema van de twee luidruchtigste kemphanen in het politieke debat: Leefbaar Rotterdam en Denk. Kiezers vinden identiteit belangrijk. „Deze politiek neemt ons iets af, we hebben iets te verdedigen.”

Foto’s Sanne Donders/De Kracht van Rotterdam

Vlak na zijn aantreden als wethouder nodigt Ronald Schneider hoogleraar onderwijs en diversiteit Maurice Crul uit op de koffie. Schneider wil praten met experts voor hij begint aan zijn portefeuille integratie, die hij zo klein mogelijk wil invullen. Een interessant gesprek volgt. Over normen en waarden, over criminaliteit. Schneider is van zins Marokkaanse criminele jongens aan te pakken. Het duo pluist die gedachte uit. Betekent dat specifiek beleid schrijven voor die groep? Ja, luidt het antwoord. Dus dan komt er ook een traject dat die Marokkaanse jongens moeten doorlopen? Ja, waarschijnlijk wel. Wat als een Nederlandse jonge crimineel dat traject in wil? Dat kan niet, antwoordt de wethouder. Dat is discriminatie, reageert de hoogleraar.

Het gaat niet per se om die ene wethouder en dat ene gesprek, zegt Crul. Hij gebruikt het om te illustreren dat populistisch praten heel makkelijk is, maar grossiert in oplossingen die teruggrijpen op een Rotterdam dat niet meer bestaat. „Populisten gaan uit van een situatie waarin de stad een homogene samenleving vormt. Mensen van Nederlandse afkomst zijn de grote meerderheid en migranten vormen een kleine groep, die zich aanpast”, vat Crul samen. „Hun oplossingen staan niet in de realiteit van de diverse stad.”

De realiteit is dat Rotterdam ondertussen 168 nationaliteiten telt (stand juni 2017, CBS). Daarmee zit de stad op een kantelpunt. Nog heel even en de ‘autochtone’ Rotterdammer is in de minderheid. Als dat gebeurt, is er geen groep meer die de meerderheid vormt. De vraag is: is dat een probleem?

Ja, zeggen de populisten, en daarmee een aanzienlijk deel van de Rotterdammers. Niet voor niets zijn die bij alle verkiezingen, of het nou voor de Tweede Kamer of de gemeenteraad is, goed vertegenwoordigd met forse percentages.

Leefbaar produceerde eind 2014 als grootste partij van Rotterdam een integratienota, die coalitiegenoten D66 en CDA direct naar de prullenbak verwezen wegens „te veel onverzoenlijke taal”. In juli 2015 kwam er een 2.0-versie, waarin Leefbaar, CDA en D66 opschrijven dat migranten die zich in Rotterdam vestigen de Nederlandse taal leren en de Nederlandse normen en waarden respecteren en naleven. „Alsof ik naar zwart-wittelevisie zit te kijken”, zei Nourdin El Ouali van Nida over die nota.

In een superdiverse stad zijn normen en waarden niet automatisch meer de oude Nederlandse. Hoogleraar Crul vraagt zich hardop af hoe reëel het is om de normen en waarden van een minderheid („in sommige wijken zelfs een kleine minderheid”) op te leggen. „Wie zou die normen en waarden dan moeten afdwingen? Hoe kun je die rol neerleggen bij een minderheid? Het is achterhaalde politiek.”

Witte nieuwkomer

Crul ontkent niet dat de superdiverse stad haar inwoners voor dilemma’s stelt. Met een groot onderzoeksteam wijdt hij daar ook in vijf andere steden een grootschalige studie aan. Zij betrekken het begrip integratie nu eens niet op de doorsnee migrant, maar op de mensen die op slot gaan door zulke superdiversiteit.

Meest in het oog springend zijn de witte, jonge mannen die vanuit hun witte, homogene omgeving naar de stad trekken om te gaan studeren. Daar komen ze in migrantenwijken terecht, tussen mensen die al twee, drie generaties op die plek wonen. Met het feit dat ze ineens in de minderheid zijn, kan niet iedere jongen even goed omgaan. „Ze raken als het ware verlamd door die situatie, waarin ze hun dominante positie kwijt zijn. Ze scheiden zich af in kleine groepen, willen niet mengen, verstoren soms hun colleges met discriminerende opmerkingen. Voor docenten aan het hbo is het in toenemende mate een probleem die jongens bij de andere studenten te betrekken.”

Het onderzoek van Crul en collegae richt zich niet alleen op deze groep, maar ook op de mensen van Nederlandse afkomst die zich wel flexibel genoeg tonen om te dealen met superdiversiteit. „Waarom kunnen zij dat wel, hoe leggen zij de verbinding?”

Geen echte Rotterdammer

Verbinding is het sleutelwoord in de data van Gesprek met de Stad, een project waarin de gemeente op zoek ging naar vergezichten op het Rotterdam van 2037. Tussen januari en april 2017 sprak de Veldacademie daarom met ruim 9.000 Rotterdammers. ‘Samenleven’ was veruit het populairste gespreksonderwerp. Uit de gegevens blijkt dat een meerderheid diversiteit als een groot goed ziet en het waardeert als wezenlijk kenmerk van de stad. „Als je niets hebt met diversiteit, ben je geen echte Rotterdammer”, luidt een quote in het analyserapport, „dat moet maar eens gezegd worden.”

Wel gaat het leven in een superdiverse stad jongeren aanmerkelijk makkelijker af dan ouderen. Ze weten niet beter, omdat ze zijn opgegroeid in die multicultuur en een gemengde vriendengroep hebben. Ook migranten waarderen de verscheidenheid in de stad hoog. „Ik kom vaak in Amsterdam, daar vind ik mensen zo hatelijk. Echt hoor, hoe ze tegen een Marokkaan doen! Hier niet, hier voel je je heel anders”, staat in het analyserapport opgetekend uit de mond van een 28-jarige Marokkaanse uit de Tarwewijk. „Shit, het is toch hetzelfde land, maar in Amsterdam behandelen je ze als een stuk vuil. Maar hier niet. Want wij zijn allemaal Rotterdammers.”

Dit soort tegengeluiden krijgt de laatste tijd, eigenlijk sinds Brexit en Trump, steeds meer tractie, merkt ook hoogleraar Crul. „De reactie van de Leefbaar- en PVV-stemmer is heel lang en heel vaak breed uitgemeten”, zegt hij. „Na Brexit en Trump is een generatie opgestaan die zegt: deze politiek neemt ons iets af, wij hebben hier iets te verdedigen.”

Tal van Maliques

Malique Mohamud deelt die mening: een superdiverse stad is het verdedigen waard, mits die ook inclusief is. Na lokaal succes, onder andere met La Haine Art Festival, waarmee hij als cultureel ondernemer een podium creëerde voor jonge Rotterdammers met een biculturele achtergrond, lag de weg naar Hilversum of Amsterdam open. Mohamud had geen zin zijn stad te verlaten. „In Hilversum, in mainstream Nederland, zou ik de uitzondering worden. Als zwarte Nederlands-islamitisch-Somalische man wilde ik een omgeving waarmee ik mij kan identificeren. Bovendien: er is een verschil tussen individueel succes en het succes van een gemeenschap. Ik ben hier geen uitzondering. Er lopen nog tal van Maliques rond. Die verdienen het om gehoord te worden.”

Daarom kwam Concrete Blossom er: een platform waar al die jonge Rotterdammers zich kunnen uiten, of het nu via debatten, fotografie of excursies is. „Met Concrete Blossom willen we die nieuwstedelijke realiteit verder cultiveren en zo maatschappelijke vernieuwing versnellen.” Want er zijn grote thema’s aan te pakken, vindt Mohamud. „De flexibilisering van de arbeidsmarkt als motor van ongelijkheid. Een goede woning en een veilige buitenruimte voor iedereen.”

De komende verkiezingen zijn binnen dat referentiekader een onderdeel in een groter verloop. Net als het gesprek over identiteit. „Praten over identiteit is absoluut noodzakelijk, praten over ons gedeelde verleden ook, net als ons verzoenen daarmee. Hoe schoorvoetend het allemaal ook gaat. Alleen zo kunnen we met elkaar verder.”

Via Concrete Blossom ziet Mohamud het ook als zijn verantwoordelijkheid de jongeren uit zijn achterban op te roepen om op 21 maart hun stem te laten horen. „Die verantwoordelijkheid kan ik niet alleen dragen, net zoals de politiek niet alleen oplossingen kan bieden voor de problemen waar de stad voor staat. Politici, beleidsmakers, ondernemers en burgers moeten samen slimme oplossingen gaan verzinnen. Burgerkracht, daar gaat het om. Ga daarvoor vooral naar die multiculturele volkswijken, want daar is omgaan met verscheidenheid en continue verandering een gegeven. Daar vind je veerkracht en vindingrijkheid.”

Eer het besef dat het superdiverse Rotterdam een plek biedt aan iedereen, écht goed indaalt, zijn we misschien nog wel een verkiezing verder, denkt Mohamud. „Al houd ik mijn hart vast voor wat ze in de tussentijd kapot maken, misschien is er eerst een ultrarechts college nodig, om de noodzaak te vergroten.”

    • Margot Smolenaars