Column

Op zitten wachten

‘Is dat uw boot?” vroeg de man. Het was die prachtige dag dat we konden schaatsen op de Keizersgracht. Dat we met tranen van ontroering stonden te kijken naar de oude dame die tóch het ijs op wilde en door iedereen geholpen werd. Er waren glimlachende Italiaanse toeristen met grote Amsterdam-mutsen. Er waren euforische Amerikaanse ijshockeyers. Het was even de ideale wereld, daar op de Keizersgracht.

Toen onze zoon van bijna drie er genoeg van had, gingen we het ijs af, via een bootje dat daar lag. En toen kwam die man: „Is dat uw boot?” Ik voelde meteen aan dat dit geen vraag was, maar een territorium-afbakening. Ik nam hem de wind uit de zeilen door meteen te zeggen: „O pardon, we zijn zo weg”, waardoor hij alleen maar kon mutteren : „Want hier zit ik dus niet op te wachten.” Maar waar zou hij wel op zitten te wachten? Als ijsgeluk op de Keizersgracht al niet is waar je op zit te wachten, dan ben je waarschijnlijk klaar met leven.

Is dat uw boot?

Andere mensen met meer lef, of zonder kind bij zich, hadden misschien iets gezegd als „Als er ijs op de gracht ligt, spreken wij niet meer van bezit, dan zijn de boten van iedereen.” Of: „Anders wacht u in uw gigantische grachtenpand een dagje tot het weer gaat dooien.” Zo niet ik.

Even later zag ik de man proberen zijn auto in te komen. Het was een piepklein glimmend autootje, het leek wel een hoestbonbon. Hij had hem tussen een boom en de gracht geparkeerd, niet op een parkeerplek. Er staken takjes uit de boom, die dreigden krasjes te maken op de hoestbonbon, als hij weg zou rijden. De man haalde een mes tevoorschijn en begon takken af te snijden. En natuurlijk, alles in mij wilde roepen: „Is dat úw boom?” Wederom hield ik mij in. Misschien speelde er in het leven van deze man wel iets waardoor hij mildheid verdiende. Of misschien was het gewoon een lul, want die heb je ook.

Toen hij de boom had bijgesnoeid, zag ik hem woedend uitparkeren om daarna meteen woest in te parkeren op een vrije, legale parkeerplaats ernaast. Die parkeerplaats – dat was waarschijnlijk waar hij op had zitten wachten.

Paulien Cornelisse is cabaretier en schrijver.