Macron doorbreekt taboe op teruggave Afrikaanse kunst

Teruggave kunst

Macron wil dat Afrikaanse kunst uit Franse musea teruggaat naar Afrika. Sommigen zegen dat de musea er daar niet klaar voor zijn. „Minachting”, vinden anderen dat.

Drie standbeelden van koningen van Dahomey, eind negentiende eeuw geroofd door generaal Dodds en nu te zien in Musée Branly. Vanaf links: Koning Glèlè (1858-1889), halfleeuw, half mens; Koning Guézo (1818-1858), half vogel, half mens; en Koning Béhanzin (1889-1894), half haai, half mens. Foto Peter Vermaas

Het is bijna traditie dat een nieuwe Franse president zich vroeg in zijn ambtsperiode uitspreekt over de immer complexe Frans-Afrikaanse relaties. Maar Emmanuel Macron wist afgelopen november zijn gehoor meer dan enig voorganger te verrassen. In een universitaire aula in Ouagadougou, Burkina Faso, deed hij een taboedoorbrekende belofte. Het kan niet zo zijn dat Afrikanen naar een museum in Parijs moeten om hun erfgoed te zien, zei hij tegen de studenten. „Binnen vijf jaar wil ik dat de voorwaarden geregeld zijn om het Afrikaanse erfgoed tijdelijk of definitief terug naar Afrika te brengen.”

Hij laat er geen gras over groeien. In gezelschap van president Patrice Talon van Benin, een land dat in 2016 een formeel verzoek deed tot teruggave van in de koloniale tijd geroofde kunstschatten, liet Macron deze week weten dat twee deskundigen voor november met een praktisch plan komen om werken die op oneerlijke wijze in Franse staatscollecties zijn beland op veilige manier te repatriëren. De deskundigen zijn de Senegalese schrijver en econoom Felwine Sarr en de welwillende Franse kunsthistorica Bénédicte Savoy van het Collège de France. Die laatste noemde Macrons belofte eerder in Le Monde „een revolutie” die niet alleen consequenties heeft voor Franse musea, maar voor alle westerse musea met grote Afrikaanse kunstverzamelingen.

Toerisme

„De post-Ouagadougou-periode is nu begonnen”, jubelde de Ghanese roofkunstspecialist Kwame Opoku. „Eindelijk rechtvaardigheid”, meent Louis-Georges Tin van de Franse zwarte belangengroep CRAN. Maar sommige kunstspecialisten in Parijs maken zich zorgen. „Je moet moraal niet verwarren met wetgeving”, zegt galeriehouder Bernard Dulon door de telefoon. Het ontbreekt Afrikaanse landen wat hem betreft aan een „structuur” om die werken optimaal te conserveren. En stukken die via giften deel zijn van het Franse patrimoine zijn volgens de wet nu eenmaal „onvervreemdbaar”, benadrukt hij.

Trofee-hoofd uit Benin (14de/16de eeuw) in 2007 op een expositie in Musée du Quai Branly, Parijs. Foto AFP

Dat geldt zelfs voor werk dat duidelijk gestolen is. Benin, dat met nog te bouwen musea het toerisme wil bevorderen, heeft in het bijzonder zijn zinnen gezet op de collectie die de Franse generaal Alfred Dodds eind negentiende eeuw naar Parijs liet verschepen. Nadat zijn leger het toenmalige koninkrijk Dahomey onder de voet had gelopen, nam hij niet alleen unieke beelden, maar ook de tronen van de koning, de paleisdeuren en een aantal bijzondere scepters mee. Die stukken hebben nu prominente plekken in het etnografische Musée du Quai Branly in Parijs. ‘Gift Generaal Dodds’, melden de begeleidende bordjes nog altijd beleefd.

Drie standbeelden van koningen van Dahomey, eind negentiende eeuw geroofd door generaal Dodds en nu te zien in Musée Branly. Vanaf links: Koning Glèlè (1858-1889), halfleeuw, half mens; Koning Guézo (1818-1858), half vogel, half mens; en Koning Béhanzin (1889-1894), half haai, half mens. Foto Peter Vermaas

Kwetsbaar

Dulon bestiert in Saint-Germain-des-Prés een galerie die gespecialiseerd is in ‘primitieve kunst’, zoals zijn geveltekst het met een tegenwoordig wat omstreden begrip noemt. Dat is tegenwoordig een miljoenenmarkt. „Als je al een Picasso en een Matisse hebt, dan wil je ook zien waar die twee zich op gebaseerd hebben”, lacht hij. Binnen staan negentiende-eeuwse maskers en houten beelden uit vooral West-Afrika. „Dit soort werk is enorm kwetsbaar”, zegt Dulon. „Je moet ze beschermen voor klimaatomstandigheden en parasieten. Als Afrikaanse landen geen geld hebben voor scholen of ziekenhuizen, dan hebben ze dat zeker niet voor musea en conservatoren. „Ik wil niet dat universeel erfgoed vernietigd wordt.”

„Maar dat wil natuurlijk niemand”, reageert Marie-Cécile Zinsou geërgerd. De jonge Frans-Beninese kunsthistorica runt in de Beninese havenstad Cotonou een stichting voor contemporaine kunst en voerde vorig jaar in Frankrijk campagne voor Macron. Ze pleit al jaren voor teruggave van Afrikaanse roofkunst. „Critici zeggen in feite dat als Frankrijk die stukken niet geroofd had, dat ze dan waren vergaan. Hoe kan het dan dat aan het eind van de negentiende eeuw objecten gestolen zijn die toen al twee eeuwen oud waren?”

Maar eigenlijk wil Zinsou die discussie helemaal niet voeren. „De vraag of Benin die werken kan onderhouden is minachtend. Het gaat erom aan wie ze toebehoren”, zegt ze in een Parijs’ café.

Rituele drinkbeker, Benin.

Generatiewisseling

In 2006, net na de opening door Jacques Chirac van Musée du Quai Branly zijn enkele topstukken uit de Dahomey-collectie voor het eerst aan Benin uitgeleend. Omdat de staatsmusea inderdaad in niet al te beste staat verkeerden, werden ze tentoongesteld in de Fondation Zinsou. Daar kwamen in het kleine West-Afrikaanse land liefst 275.000 mensen op af, vooral jongeren. „Zij willen net als Europese jongeren weten wat hun geschiedenis is. Maar ze willen er niet voor in een vliegtuig hoeven stappen”, zegt Zinsou. De directeur van het Franse museum onderzoekt nu of vóór een definitieve teruggave al opnieuw tijdelijk werk uitgeleend kan worden aan Benin en andere Afrikaanse landen.

Macrons belofte is volgens Zinsou niet alleen goed nieuws voor het erfgoed. „Het betekent dat de koloniale tijd in Frankrijk eindelijk bespreekbaar wordt”, zegt ze. Dat is volgens Bénédicte Savoy, die onder andere in kaart moet brengen om hoeveel werken het eigenlijk precies gaat, te danken aan een „generatiewisseling” onder Macron. De president hintte daar in Ouagadougou zelf ook op. „Ik ben net als u van een generatie die Afrika nooit als gekoloniseerd continent heeft gekend”, zei hij tegen de studenten.

Dat mag zo zijn, vindt Louis-Georges Tin van actiegroep CRAN, maar het is ook gewoon een buitengewoon voordelige belofte. „Afrikanen zien de symbolische waarde. Maar ik denk niet dat veel Fransen een traan zullen laten om het verlies van de paleisdeuren van Dahomey. Het interesseert ze geen zak.”

    • Peter Vermaas