De kleine rietgans is erg flexibel

Trekvogels Kleine rietganzen wisselen veel van eetgedrag en overwinteringsgebied. Dat zagen vogelaars tijdens uniek, 25 jaar durend onderzoek.

Kleine rietganzen zijn overwegend bruinige en, inderdaad, kleine ganzen, met een blauwgrijze waas over hun vleugels. Ze hebben roze poten en een tweekleurige (zwart-roze) snavel. Foto iStock

Wilde ganzen hebben de naam gewoontedieren te zijn: ze zouden hun trekgewoonten van hun ouders leren en elk jaar op dezelfde plek overwinteren. Maar er is in elk geval één soort waarvoor dat niet opgaat: de kleine rietgans.

Jaarlijks kiest grofweg de helft van de kleine rietganzen een andere overwinteringsplek dan het jaar ervoor. Hun voorkeuren zijn in de afgelopen 25 jaar bovendien sterk verschoven. Dat blijkt uit meer dan 370.000 waarnemingen van ruim 4.000 individuele ganzen vanaf 1990. De publicatie erover stond eind februari in Global Change Biology.

Kleine rietganzen zijn in Nederland een relatief schaarse ganzensoort: jaarlijks overwinteren er zo’n 10.000 tot 15.000 in Friesland – geen vergelijk met de enkele miljoenen kolganzen, brandganzen en grauwe ganzen die ons land jaarlijks aandoen. Er overwinteren ook kleine rietganzen in Vlaanderen en in Denemarken; samen zijn het er 80.000 en ze broeden op Spitsbergen. In het najaar vliegen ze via Noorwegen naar het zuiden.

Naar Vlaanderen

Een deel blijft hangen in Jutland, een deel vliegt door naar Friesland en een deel strijkt neer in West-Vlaanderen. Er zijn ook dieren die in één winter alle drie de landen aandoen. Of ze slaan Jutland over en vliegen eerst naar Friesland en dan alsnog naar Vlaanderen. Maar liefst zeven verschillende strategieën turfden onderzoekers uit Noorwegen, Denemarken, Nederland en Vlaanderen. Ze keken hoe die strategieën van jaar tot jaar verschuiven en waar die veranderingen mee samenhangen.

„Een deel van de ganzen is geringd met een halsband waar een uniek nummer op staat”, vertelt Fred Cottaar, een van de auteurs van de studie. Hij doet al vanaf 1990 aan het onderzoek mee – in zijn vrije tijd, want hij is geen bioloog. Wel is hij dé Nederlandse expert op het gebied van kleine rietganzen, en hij vertegenwoordigt Nederland in internationale werkgroepen.

Cottaar: „Ganzen met een halsband kunnen we individueel herkennen. In alle betrokken landen hebben we waarnemers die gespecialiseerd zijn in het aflezen van die halsbanden. Vooral Nederland heeft daarin een sterke traditie. Ja, wij zijn wel een apart land, hoor, wat betreft watervogeltellingen.” Zelf gaat hij tussen september en januari elk weekend het veld in met verrekijker en telescoop, op zoek naar geringde ganzen. „De meeste pikken we er wel tussenuit.”

Honkvast

Het team deed opvallende ontdekkingen. Ten eerste bleken zowel individuen als de hele populatie veel minder honkvast dan gedacht. Rond 1990 koos jaarlijks circa 40 procent van de kleine rietganzen een andere overwinteringsstrategie dan het jaar ervoor, tegenwoordig is dat zelfs zo’n 60 procent. Daarnaast veranderden de strategieën.

Een kwart eeuw geleden bleef maar 10 procent van de vogels in Jutland hangen; nu is dat bijna de helft. Destijds kwam bijna 90 procent naar Friesland, nu minder dan 20 procent; een steeds groter deel slaat Friesland over en vliegt rechtstreeks van Jutland naar Vlaanderen.

„Die verschuivingen hangen niet samen met jacht of met de warmere winters”, vertelt Cottaar. „Ook tijdens echt koude winters vertrekken de Deense ganzen niet naar het zuiden. We zien vooral samenhang met veranderingen in landgebruik.”

Maiskorrels

In Jutland hangt de toename bijvoorbeeld sterk samen met het toegenomen areaal aan maisvelden. Ganzen eten in de winter de afgevallen maiskorrels die zijn achtergebleven na de oogst, legt Cottaar uit. „Dat is opvallend, want van oudsher overwinterden kleine rietganzen vooral in grasland. Boeren zijn wel blij met die nieuwe trend.”

Ook Friese boeren telen de laatste jaren steeds meer mais, aldus Cottaar. Het kan dus best zijn dat de aantallen bij ons weer toenemen. In elk geval vindt hij het goed nieuws dat kleine rietganzen zo snel kunnen inspelen op nieuwe omstandigheden: daardoor zijn ze minder kwetsbaar in deze tijden van snelle verandering. „Ik denk dus dat de patronen zullen blijven verschuiven”, zegt hij. „Wie weet geldt dat ook voor de andere ganzensoorten. Maar dat weten we niet. Kleine rietganzen zijn de enige die we al zo lang zo intensief volgen. Iets waar we best trots op zijn, trouwens.”