Recensie

Waar zijn de vrouwen van Hugo Claus?

Tentoonstelling

Tien jaar geleden stierf de Belgische alleskunner Hugo Claus. Museum Bozar in Brussel eert hem met een expositie die verre van volledig is.

Hugo Claus op de Nieuwmarkt, Amsterdam foto Ed van der Elsken / Nederlands Fotomuseum

Op 19 maart is het tien jaar geleden dat Hugo Claus (Brugge 1929 - Antwerpen 2008) stierf. Dat Bozar, het modernekunstmuseum in Brussel, een tentoonstelling wijdt aan hem en aan zijn creatieve stortvloed, is dan ook niet meer dan logisch.

Je moet ervoor naar de bovenste etage en dan knal je bijna meteen op het hoogtepunt van deze tentoonstelling: ‘Herbarium’. Geschreven en getekend „in de nacht van 9-10 december ‘49”, althans dat staat op het titelblad waar de reeks mee begint. Claus was twintig en smoorverliefd en hij schiep dit meesterwerk in één nacht. Op zestien bladen vijftien gedichten voor zijn geliefde, elk voorzien van een krachtig geaquarelleerd vignet in CoBrA-stijl.

Een eindje verderop klinkt zijn stem, ritmisch, teder, klokkend. O ja, dat is waar ook. Claus kon óók nog eens prachtig voorlezen. Ik nader een luidsprekertje. Hoor: „…die bidden, dat God ons vergeve, / voor wat Hij ons heeft aangedaan.”

Claus was een dichter, dat allereerst. En hij was veel meer. Hij kon alles, en alles kon hij goed. Zijn beeldende kunst knalt van energie. Zijn romans zijn denderend, van De Metsiers (1950) tot en met Het verdriet van België (1983). Zijn toneelstukken worden nog altijd gespeeld en zijn een weldaad voor acteurs: recent nog schitterde Maria Kraakman in Het jaar van de kreeft, Claus’ bewerking van zijn eigen gelijknamige roman. Ook zijn films zijn mooi, sober van stijl, brandend van inhoud. Alleen de film De leeuw van Vlaanderen (1984), over de Guldensporen-slag in 1302, was een misser. „Hugo was bang voor paarden”, zei een van de hoofdrolspelers tegen me, ter verklaring. En aangezien het er bij mij niet in wilde dat Claus een slechte film kon maken, vond ik dat een doorslaggevend argument.

Meesterlijke hoek

De curator van deze tentoonstelling is de filmer Marc Didden. Bewonderaar en vriend van Hugo Claus en kenner van zijn werk. Hij pakt het thematisch aan, wat bijvoorbeeld leidt tot een meesterlijke hoek over Oostende en de Noordzee. Claus schreef zijn romandebuut De Metsiers in Oostende, maar daar worden niet veel woorden aan vuil gemaakt. Hier rollen golven en gedichten en gedachten, opgeroepen door de schilderijen van James Ensor en Thierry de Cordier, en door Images d’Ostende (1929) van de door Claus bewonderde documentaire filmer Henri Storck. Ook het CoBrA-zaaltje is sterk, met schilderkunst, muziek van Thelonius Monk en de handtekening van Miles Davis (plus „thank you”).

Andere stukjes Claus bracht Didden onder in een rij kabinetjes – „kapelletjes” noemt hij ze. Hij wil niet compleet doen, niet voorspelbaar zijn, niet braaf. Dat is terecht. Maar dit is wel erg summier.

Zo was Hugo Claus een gretig toneelschrijver. Hij hield van het theater, voor hem was het dichtkunst die voor je ogen materialiseert. Didden reduceert zijn 35 stukken tot wat scènefoto’s en concentreert zich op het stuk Masscheroen uit 1968. Een destijds scandaleuze voorstelling met veel naakt die goed is voor enkele vitrines vol jolige foto’s, kwaaie krantenkoppen en een voor deze gelegenheid gemaakt kunstwerk van drie mansgrote naakte juten poppen, bij wijze van saluut aan de naakte heilige drievuldigheid die Claus in dat stuk opvoerde. Maar zijn theaterwerk behelst zoveel meer. Hij was bijvoorbeeld hartstochtelijk geïnteresseerd in het klassiek-Griekse drama. Hij bewerkte Euripides en Seneca en schreef zijn eigen versie van de Oedipusmythe: Blindeman. Om dan te kiezen voor het incident-Masscheroen is arbitrair en voelt unfair.

Ook bij de andere kabinetten vermoed je een vloed en krijg je flarden. Zelfs zijn films komen er bekaaid af, ook al is Didden zelf cineast en ook al staat er dit citaat van Claus op de muur: „Ik had me bij het filmen moeten houden, het is voor mij de ideale manier van uitdrukken.”

En er is zoveel meer. Waar is zijn broer Guido Claus, eigenaar van de Hotsy Totsy Jazz Club in Gent, waar Hugo dat enorme diner aanrichtte ter ere van de publicatie van Het verdriet van België? En waarom is er überhaupt alleen wat cryptische aandacht voor dat doorslaggevende boek?

Het kan zijn dat ik te veel verwachtte, met herinneringen aan recente diepgravende kunstenaarsexposities, over David Bowie in het Groninger Museum, of die over Federico Fellini in het filmmuseum Eye. Zoiets had Claus ook verdiend. Didden wees er bij de presentatie van zijn tentoonstelling op dat deze „niet over, maar vóór Hugo” is. Maar als dat zo is, waar zijn dan de vrouwen? Didden beperkt zich tot een enkele erotische tekening en tot de echtgenotes Elly Overzier en filmster Sylvia Kristel. Kitty Courbois, actrice en invloedrijke minnares, ontbreekt. Gelukkig staat in het boek bij deze expositie wél het treurdicht dat hij schreef bij de dood van zijn geliefde Marja Habraken.

Ik denk terug aan een avond in Gent, nu lang geleden. Een openbaar gesprek, met Hugo Claus, kunstpaus Jan Hoet en twee hoogleraren neerlandistiek. De professoren debatteerden over een van Claus’ romans, al snel waren hun woorden niet te volgen. Claus glimlachte als een kater in de zon. Het publiek werd lodderig.

En toen sprong Jan Hoet overeind. Hij gebaarde naar drie gouaches van Claus achter het podium, enorme naakten. En kraaide: „Ach! Die man houdt gewoon van vrouwen!”

Iedereen was op slag wakker. En de professoren hielden hun mond.

    • Joyce Roodnat