Foto Annabel Oosteweeghel

Wende Snijders: ‘Trek een harnas aan en probeer niet te falen’

Interview

Zangeres Wende Snijders is sinds augustus huiskunstenaar van Theater Carré. Deze week verschijnt haar nieuwe album ‘Mens’.

Als kind bezocht ze er musicals als Cats en Les Misérables. Ze droomde hoe ze ooit zelf in die mooie theaterzaal aan de Amstel, zowel intiem als imposant, zou optreden. In 2010 was dat voor het eerst. Wende stond op eigen naam in Theater Carré in Amsterdam en zag wat Toon Hermans bedoelde: op dit toneel moet het wáár zijn wat je brengt.

„Zodra er artiesten in huis zijn, wordt Carré een magische plek”, zegt Wende Snijders (39) nu. Ze gaat voor in de met theaterposters beplakte gangen, neemt de trap naar haar werkruimte. Op een grote stevige tafel met krabbeltjes in het houtwerk liggen haar laptop en haar schrijfboekje met een prikkelend etiket: ‘nieuwe show’. Ook staat er een schildersezel, volgestouwd met verf, kwasten en doeken. Ze schildert sinds een jaar of vijf – „Ik ben er heel impulsief mee begonnen.” Er is een boekenkast met op het eerste gezicht veel boeken over kunst. En weer een deur. Als ze die openschuift, is de grote, lichte ruimte erachter een verrassing: dit is Klein Carré, een oefenstudio voor dans, theater met spiegels en rekwisieten. Wendes zwarte vleugel staat in het midden, mooi in het licht van de ramen.

Zo vaak „als ze kan” zit zangeres en theatermaakster Wende hier te werken. Dat is componeren, schema’s maken, schilderen, bellen. Tot de laatste het pand verlaten heeft. „Noem mij maar het huisdiertje van Carré”, grapt ze, terwijl ze thee schenkt en stukjes chocola breekt. Sinds augustus mag ze zich huiskunstenaar van het gerenommeerde theater noemen. Deze werkruimte, die haar inspireert haar werk al in een vroeg stadium te laten horen aan anderen, is een „onwaarschijnlijk gul gebaar” van Carré. Een dergelijke ruimte is voor een kunstenaar onbetaalbaar. „Terwijl het van onschatbare waarde is dat je je huis uitkomt.”

Wende zingt Vrij Me, de tekst is van Dimitri Verhulst:

Niets liever dan op het podium staat Wende. Als artiest tussen muziek en theater beweegt ze zich in uitersten. Expressief. Intens. Fysiek. „Ik zoek naar de balans tussen groot en klein en geef mij dan helemaal.” Dus is er na elk album, na elke afgeronde tournee, steeds weer een nieuwe transformatie: een soms bijna wanhopige zoektocht naar vonken van ideeën, maanden van schrijven en schaven aan nieuw werk („een project” noemt Wende dat), hoge werkdruk, het applaus. De opluchting. Het instorten. En het opkrabbelen.

Vandaag schuilt ze in een flinke okergele sjaal om haar nek, ze hangt tegen een griep aan. Niet zo gek, schudt ze haar hoofd, de afgelopen weken raasden voorbij als een tornado. Net na haar optreden op het Groningse festival Noorderslag, halverwege januari, reisde Wende naar India om er twee weken met een vriendin langs spirituele plekken als Rishikesh en Varanasi te reizen. Toen ze terugkwam, werkte ze met componist Michel van der Aa aan nieuwe liedjes voor een gezamenlijke tournee in april. Kort ging ze op reis naar Nairobi, om er artiesten te ontmoeten voor een samenwerking. En toen was er alweer een samenwerking met Het Nationale Ballet. En o ja, grinnikt ze, had ze al gezegd dat haar popalbum Mens uitkomt? Zelf geproduceerd, voor het eerst op haar eigen label.

Mens bevat bewerkingen van liedjes die Wende zong in de muziektheatervoorstelling Mens van afgelopen jaar. De theatershow kreeg juichende recensies en dat verwonderde niets: Wende was op haar best in deze show vol spannende electrobeats en openhartige, breekbare liedjes die zowel bedwelmden als confronteerden. Het waren liedjes waarin ze nadacht „hoe je mens bent te midden van mensen” – de teksten snoeihard over de noten jagend.

Collages

Mens ontstond in 2016. Eerst nog thuis, toen in een vroegere werkruimte aan de Lindengracht. Zoals hier in Klein Carré verknipte ze er kranten en tijdschriften om er collages vol van te plakken. Een jaar schreef ze elke dag in dagboeken – 26 boeken met zwarte kaften – om op advies van vriend Typhoon, „mijn eigen taal te vinden”. Ze noteerde gedachten en observaties. Liet zich tien minuten leeglopen op één enkel woord. Ze reisde, bezocht exposities, en voerde veel gesprekken met mensen als Arnon Grunberg, Kempi en Adriaan van Dis.

Het leidde allemaal naar een overkoepelend thema in haar liedteksten: de angsten die iedereen in deze tijd ervaart. Haar blik op de wereld, denkend: wat heb ik ermee te maken? De Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst werd een schrijfpartner voor passende indringende teksten. De ballade ‘Vrij Me’ is gevoelvol en gepassioneerd. Mooi ook hoe tekst van Joost Zwagerman een lied werd. „Voor alles altijd bang geweest”, zingt Wende. ‘Voor Alles’ is genomineerd voor de Annie M.G. Schmidt-prijs.

Wende zingt Joost Zwagerman:

Hier, wijst ze in een van haar schriften. Zo kan ze misschien laten zien hoe het sociaalbewuste nummer ‘Schone Handen’ ontstond. Het is een typisch voorbeeld van haar caleidoscopisch werken. In het schriftje noteerde ze in lange zinnen over overheersing en machtsmisbruik in Zuid-Afrika. In een bundel van de Zuid-Afrikaanse Antjie Kroch las ze over eenzelfde hardvochtig venijn. In een fotoboek bekeek ze de fraaie landschappen van de Braziliaanse fotograaf Sebastião Salgado. Dan, weer een sprong in haar gedachten: met afgrijzen las ze hoe in Congo verkrachting als oorlogsstrategie wordt gebruikt. Wende: „Het zijn allemaal onderwerpen die me deden concluderen: wat moet ík hiermee? Waar ligt mijn eigen verantwoordelijkheid? Of heb ik me neer te leggen bij mijn schone handen?” In het liedje zingt ze hoe gebeiteld ze zit in dit paradijs, „toch ben ik gierig in mijn dankbaarheid”.

Haar eerdere projecten, zoals No.9 (2009) of Last Resistance (2013), bestonden naast een theatershow ook uit poptournees en een album. „Ik ben eerst een showmaker, ik vraag me altijd eerst af hoe het er op het toneel uit zal komen te zien. Andersom zou logischer zijn: eerst het album dan de show, dat is financieel ook slimmer. Maar bij mij gaat creativiteit toch voor.”

In het theater overdonderde ze met Mens: door de visuals, haar fysieke inbreng, haar gepassioneerde zang en haar twee multi-inzetbare muzikanten Yan en LudoWic. Voor het album bracht ze de liedjes wat terug: kleiner, intiemer. „Niet meer voor de achterste rij. Ik heb voor het album toonsoorten verlaagd, ik ben meer gaan vertellen. Naast elektronica klinken strijkers en blazers. Ik wilde het meer omarmend laten zijn.”

Liedteksten, ze komen niet bepaald makkelijk tot haar. Veel kan ze nadenken over de woorden. „Zelf houd ik zo van lezen, ik kan via het hoofd recht het hart in geraakt worden. Zo wil ik mensen ook naar een emotioneel punt voeren. Maar niet enkel door liefdevol te omarmen. Een nummer als ‘Hoe Lang Nog’ is gewoon niet prettig om te zingen. Het is donker. Het is er zwart. Ik heb eigenlijk helemaal geen zin in om het te zingen. Maar in Mens hoort dat erbij. Ik wil het allemaal laten zien.”

Typhoon zei haar dat ze hem meeneemt naar een plek waar hij eigenlijk helemaal niet wil zijn. Toch gaat hij mee. Dat vond ze mooi. „Het leven wordt al genoeg gefilterd, denk ik. Wij mensen, we zijn ook rommelig, we worden boos, bedoelen het niet zo, mislukken en verwonderen ons. De paradijsvogels en excentriekelingen krijgen nauwelijks ruimte. Terwijl ik denk, laten we de rommeligheid een beetje vieren.

„Laatst in India, aan de Ganges, kon het me gewoon opluchten dat ik in het openbaar zag hoe mensen zich wasten, rituelen uitvoerden en er een stukje verder openbare crematies waren. Wij zitten hier thuis, poetsen onze tanden, trekken ons harnas aan en proberen zo hard mogelijk niet te falen. Eerlijk zijn over twijfel levert juist humor op en verbinding.”

Als kind verhuisde ze veel, haar vader werkte voor een ingenieursbureau. Ze is geboren in Engeland, verhuisde als kleuter naar Indonesië en later naar Guinee-Bissau. Op haar negende verhuisde het gezin terug naar Zeist, al bleef haar vader veel van huis. „Als expatkind maak je doorgaans snel vrienden, maar ik vond het hier lastig. Misschien vonden ze me wat vreemd.”

Thema’s als verlatingsangst, ontworteling en haar eigen kwetsbaarheid grijpen terug op haar jeugd ziet ze nu. „Ik besef steeds meer hoe vaak ik als kind afscheid nam en me heb aanpast.” De man met wie ze nu haar leven deelt, reist ook veel. Wouter van Ransbeek, adjunct-directeur van Toneelgroep Amsterdam, werkt aan de internationalisering van de theatergroep. Toen hij eens naar Buenos Aires moest, was ze verdrietig: ‘moet je nu alweer weg?’ „Schrijf er maar een lied over”, zei hij. En dat deed ze. Het werd een modern zeemanslied: ‘Buenos Aires’ – „Wat ga je met hem doen?” „Ik sta aan de kade”, zegt Wende, „maar ik ga niet lopen huilen.”

In mei zingt ze Mens in Carré, in de zomer op de festivals en in het najaar zijn er clubshows. Haar concert is dan veel losser. „Het is grilliger, mensen kunnen dingen terugroepen. Het is een collectieve ervaring van meezingen en dansen.” Al weet ze dat haar theatervorm op het clubpodium kan wringen. „Ik moet er veel harder werken. Er wordt een bepaald contact met het publiek gevraagd dat me niet natuurlijk ligt. Ik ben geen natuurlijke improvisator. Praten met de mensen vind ik snel obligaat. Dan wordt je muziek helemaal gerelativeerd en daar moet je echt voor oppassen.”

Haar onverschrokkenheid, haar lef op het podium staan haaks op de grote nervositeit vlak voor shows. „Ik sta zo áán zo vlak voor het opgaan dat ik in één keer kan bedenken wat er allemaal mis kan gaan.” Op gaat ze met een open vizier, zo helder mogelijk, met het gevoel dat ze alles te verliezen heeft. Dat vereist moed, knikt ze. „Ik wil alles afwerpen. Dan krijg je een onvoorwaardelijk commitment en kan álles met een zaal. Alles kan misgaan of het wordt geweldig.”